Asa's Reign
| Secondary Keywords | koningen koninkrijk verdeeld |
|---|---|
| Schrift | 1 Kings 15 2 Chronicles 14 2 Chronicles 15 |
1 Kings 151 In het achttiende jaar nu van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.2 Hij regeerde drie jaren in Jeruzalem en de naam van zijn moeder was Maächa, de dochter van Abisalom.3 Hij wandelde overeenkomstig alle zonden van zijn vader, die deze vóór hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met deHEERE , zijn God, zoals het hart van zijn vader David.4 Maar omwille van David gaf deHEERE , zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door na hem zijn zoon te doen opstaan en door Jeruzalem in stand te houden,5 omdat David gedaan had wat juist was in de ogen van deHEERE , en niet was afgeweken van alles wat Hij hem had geboden, alle dagen van zijn leven, behalve in de zaak van Uria, de Hethiet.6 Er was oorlog geweest tussen Rehabeam en Jerobeam, al de dagen van zijn leven.7 Het overige nu van de geschiedenis van Abiam, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Er was ook oorlog tussen Abiam en Jerobeam.8 En Abiam ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David. En Asa, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.9 In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda.10 Hij regeerde eenenveertig jaar in Jeruzalem, en de naam van zijn grootmoeder was Maächa, de dochter van Abisalom.11 En Asa deed wat juist was in de ogen van deHEERE , zoals zijn vader David.12 Hij verdreef de schandknapen uit het land, en deed alle stinkgoden weg, die zijn vaderen gemaakt hadden.13 Ja, zelfs zijn grootmoeder Maächa zette hij af, zodat zij geen koningin meer was, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Asa hakte haar gruwelijke beeld om, en verbrandde het bij de beek Kidron.14 De offerhoogten werden wel niet weggenomen, maar toch was het hart van Asa volkomen toegewijd aan deHEERE , al zijn dagen.15 Ook bracht hij de geheiligde gaven van zijn vader in het huis van deHEERE , met zijn eigen geheiligde gaven: zilver, goud en andere voorwerpen.16 En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.17 Want Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama uit, om niemand meer toe te laten het land uit te gaan en naar Asa, de koning van Juda, te gaan.18 Toen nam Asa al het zilver en goud dat overgebleven was in de schatkamers van het huis van deHEERE en van de schatten van het huis van de koning, en stelde het zijn dienaren ter hand. Koning Asa stuurde hen naar Benhadad, zoon van Tabrimmon, zoon van Hezion, koning van Syrië, die in Damascus woonde, om te zeggen:19 Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader. Zie, ik stuur u een geschenk: zilver en goud. Ga, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt.20 Benhadad luisterde naar koning Asa, en stuurde de bevelhebbers van de legers die hij had, op de steden van Israël af, en hij versloeg Ijon, Dan, Abel Beth-Maächa en heel Kinneroth, met heel het land van Naftali.21 Het gebeurde, toen Baësa dit hoorde, dat hij ophield met het uitbouwen van Rama. Hij bleef in Tirza.22 Toen liet koning Asa door heel Juda omroepen dat zij allemaal – niemand was vrijgesteld – de stenen van Rama en het bijbehorende hout, waarmee Baësa gebouwd had, moesten wegdragen. Koning Asa bouwde daar Geba in Benjamin mee, en Mizpa.23 Het overige nu van heel de geschiedenis van Asa, al zijn macht, alles wat hij gedaan heeft en de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Alleen, in de tijd van zijn ouderdom werd hij ziek aan zijn voeten.24 Asa ging te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van zijn vader David. En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.25 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda. Hij regeerde twee jaar over Israël.26 Hij deed wat slecht was in de ogen van deHEERE en ging in de weg van zijn vader en in diens zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.27 Maar Baësa, de zoon van Ahia, uit het huis van Issaschar, smeedde een samenzwering tegen hem, en Baësa doodde hem te Gibbethon, dat aan de Filistijnen toebehoorde, toen Nadab en heel Israël Gibbethon belegerden.28 Baësa doodde hem in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.29 Het gebeurde nu, toen hij koning was, dat hij heel het huis van Jerobeam doodde. Hij liet niets over van het huis van Jerobeam wat adem had, totdat hij het weggevaagd had, overeenkomstig het woord van deHEERE , dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn dienaar Ahia uit Silo,30 vanwege de zonden van Jerobeam, die zondigde en die Israël deed zondigen, en om zijn tergen, waarmee hij deHEERE , de God van Israël, tot toorn had verwekt.31 Het overige nu van de geschiedenis van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?32 En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.33 In het derde jaar van Asa, de koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over heel Israël, in Tirza, en regeerde vierentwintig jaar.34 En hij deed wat slecht was in de ogen van deHEERE , en ging in de weg van Jerobeam en in diens zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. 2 Chronicles 141 En Abia ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David. En Asa, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. In zijn dagen had het land tien jaar rust.2 En Asa deed wat goed en juist was in de ogen van deHEERE , zijn God.3 Hij nam de vreemde altaren en de offerhoogten weg, brak de gewijde stenen in stukken, en hakte de gewijde palen om.4 Tegen Juda zei hij dat zij deHEERE , de God van hun vaderen, moesten zoeken, en dat zij de wet en het gebod moesten naleven.5 Verder nam hij uit alle steden van Juda de offerhoogten en de wierookaltaren weg. Het koninkrijk had rust onder hem.6 Vervolgens bouwde hij versterkte steden in Juda, omdat het land rust had. Er was in die jaren geen oorlog tegen hem, omdat deHEERE hem rust gaf.7 Asa zei tegen Juda: Laten wij deze steden bouwen, ze omringen met muren, torens, deuren en grendels, terwijl het land nog open voor ons ligt, want wij hebben deHEERE , onze God, gezocht. Wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rust van rondom gegeven. Zo begonnen zij te bouwen en zij waren voorspoedig.8 Asa had een leger van driehonderdduizend man uit Juda, die grote schilden en speren droegen, en tweehonderdtachtigduizend man uit Benjamin, die kleine schilden droegen en de boog spanden. Dit waren allen strijdbare helden.9 Zerah, de Cusjiet, trok tegen hen uit met een leger van duizend maal duizend man, en driehonderd strijdwagens, en kwam tot aan Maresa.10 Toen trok Asa uit, hem tegemoet, en zij stelden zich op voor de strijd in het dal Zefatha, bij Maresa.11 Toen riep Asa tot deHEERE , zijn God, en zei:HEERE , U bent de Enige Die kan helpen, hem die geen kracht heeft tegen de machtige. Help ons,HEERE , onze God, want wij steunen op U en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze troepenmacht.HEERE , U bent onze God, laat geen sterveling tegen U iets kunnen doen.12 Toen trof deHEERE de Cusjieten voor de ogen van Asa en voor de ogen van Juda, zodat de Cusjieten op de vlucht sloegen.13 Asa achtervolgde hen, met het volk dat bij hem was, tot aan Gerar, en er vielen er zoveel van de Cusjieten dat er voor hen geen hervatting van de strijd mogelijk was, want zij werden vermorzeld voor het aangezicht van deHEERE en voor Zijn leger. Men behaalde een zeer grote buit.14 En zij versloegen alle steden rondom Gerar, want grote vrees voor deHEERE kwam over hen. Zij plunderden al de steden, omdat zich daarin veel buit bevond.15 Verder sloegen zij de tenten van de veehouders neer, en voerden in grote hoeveelheid kleinvee en kamelen gevangen weg. Toen keerden zij naar Jeruzalem terug. 2 Chronicles 151 Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded.2 En hij ging de stad uit, Asa tegemoet, en zei tegen hem: Luister naar mij, Asa, heel Juda en Benjamin! DeHEERE is met u, zolang u met Hem bent. Als u Hem zoekt, zal Hij door u gevonden worden, maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten.3 Vele dagen lang was Israël zonder de ware God, zonder een priester die onderwees, en zonder de wet.4 Maar wanneer zij zich in hun benauwdheid tot deHEERE , de God van Israël, bekeerden en Hem zochten, werd Hij door hen gevonden.5 En in die tijden was er geen vrede voor wie vertrok of wie naar binnen kwam, omdat er grote verwarring onder al de inwoners van die landen heerste.6 Het ene volk werd door het andere volk, de ene stad door de andere stad te gronde gericht, want God had hen met allerlei benauwdheid in verwarring gebracht.7 U dan, wees sterk en verlies de moed niet, want er is loon overeenkomstig uw werk.8 Toen Asa deze woorden en de profetie van de profeet Oded hoorde, vatte hij moed en deed de afschuwelijke afgoden uit het hele land van Juda en Benjamin weg, en uit de steden van het bergland van Efraïm die hij ingenomen had. Verder vernieuwde hij het altaar van deHEERE dat vóór de voorhal van deHEERE stond.9 Hij riep heel Juda en Benjamin bijeen, en hen die als vreemdelingen uit Efraïm, Manasse en uit Simeon bij hen verbleven. In groten getale waren zij uit Israël naar hem toe gekomen, toen zij zagen, dat deHEERE , zijn God, met hem was.10 En zij kwamen in Jeruzalem bijeen, in de derde maand, in het vijftiende jaar van de regering van Asa.11 Op die dag offerden zij deHEERE van de buit die zij hadden meegebracht, zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen.12 Zij gingen een verbond aan, dat zij deHEERE , de God van hun vaderen, zouden zoeken met heel hun hart en met heel hun ziel.13 Ieder dan die deHEERE , de God van Israël, niet zou zoeken, zou gedood worden, van jong tot oud, en van man tot vrouw.14 En zij legden een eed af voor deHEERE met luide stem, met gejuich, met trompetten en met bazuinen.15 Heel Juda was verblijd over de eed, want zij hadden met heel hun hart gezworen, en met heel hun verlangen Hem gezocht. Hij werd door hen gevonden, en deHEERE gaf hun rust van rondom.16 Ja, zelfs Maächa, de grootmoeder van koning Asa, zette hij af, zodat zij geen koningin meer was, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Asa hakte haar gruwelijke beeld om, verpulverde en verbrandde het bij de beek Kidron.17 De offerhoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, maar toch was het hart van Asa volkomen, al zijn dagen.18 Ook bracht hij de geheiligde gaven van zijn vader in het huis van God, met zijn eigen geheiligde gaven: zilver, goud en andere voorwerpen.19 En er was geen oorlog, tot in het vijfendertigste jaar van de regering van Asa. | |








