Baal en Balaam
| Secondary Keywords | Baal Bileam genesis Israël nummers oud wet Zegent |
|---|---|
| Schrift | Numbers 231 Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen. 2 Balak deed zoals Bileam gesproken had, en Balak en Bileam offerden een jonge stier en een ram, op elk altaar. 3 Toen zei Bileam tegen Balak: Ga bij uw brandoffer staan. Ik zal weggaan, misschien zal deHEERE mij tegemoetkomen, en wat Hij mij tonen zal, zal ik u bekendmaken. Toen ging hij naar een kale hoogte. 4 God ontmoette Bileam en die zei tegen Hem: Zeven altaren heb ik opgesteld en ik heb op elk altaar een jonge stier en een ram geofferd. 5 Toen legde deHEERE het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer terug naar Balak, en aldus moet u spreken. 6 En hij keerde naar hem terug en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van Moab. 7 Toen hief hij zijn spreuk aan en zei: Uit Syrië heeft Balak, de koning van Moab, mij laten halen, vanuit het bergland van het oosten: Kom, vervloek mij Jakob, kom, verwens Israël! 8 Hoe kan ik vervloeken wie God niet vervloekt, hoe kan ik verwensen wie deHEERE niet verwenst? 9 Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem, vanaf de heuvels neem ik hem waar; zie, dat volk woont afgezonderd, onder de heidenvolken rekent het zich niet. 10 Wie heeft het stof van Jakob geteld, en het aantal, het vierde deel van Israël? Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven en mijn einde zijn als dat van hem. 11 Toen zei Balak tegen Bileam: Wat doet u mij nu aan? Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen juist gezegend! 12 Hij antwoordde en zei: Zou ik dat wat deHEERE mij in de mond legt, niet nauwlettend uitspreken? 13 Toen zei Balak tegen hem: Kom toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar u het volk kunt zien; slechts de uitlopers ervan kunt u zien, u kunt het niet helemaal zien. Vervloek het mij daarvandaan! 14 Hij nam hem mee naar de vlakte van Zofim, naar de top van de Pisga. En hij bouwde zeven altaren, en hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram. 15 Toen zei hij tegen Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, en ikzelf zal verderop God ontmoeten. 16 DeHEERE ontmoette Bileam en legde hem een woord in zijn mond. En Hij zei: Keer naar Balak terug, en aldus moet u spreken. 17 Hij kwam bij hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, met de vorsten van Moab bij hem. En Balak zei tegen hem: Wat heeft deHEERE gesproken? 18 Toen hief hij zijn spreuk aan en zei: Sta op, Balak, luister; hoor mij aan, zoon van Zippor. 19 God is geen man, dat Hij liegen zou, of een mensenkind, dat Hij ergens berouw over hebben zou. Zou Híj iets zeggen en het dan niet doen? Zou Híj spreken en het niet gestand doen? 20 Zie, ik kreeg opdracht om te zegenen: als Hij zegent, kan ik het niet keren. 21 Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob; ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan. DeHEERE , zijn God, is met hem, en de jubelklank van de Koning is bij hem. 22 God heeft hen uit Egypte geleid; Hij is hem als de hoorns van een wilde os. 23 Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob of waarzeggerij tegen Israël. Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd, en over Israël, wat God gedaan heeft. 24 Zie, een volk, het staat op als een leeuwin, als een leeuw richt het zichzelf op; het gaat niet liggen, voordat het zijn prooi opgegeten heeft en het bloed van zijn slachtoffers gedronken heeft. 25 Toen zei Balak tegen Bileam: Als u het volk beslist niet wilt vervloeken, zegen het dan in ieder geval ook niet. 26 Bileam antwoordde en zei tegen Balak: Heb ik niet tot u gesproken: Alles wat deHEERE zal spreken, dat zal ik doen? 27 Daarop zei Balak tegen Bileam: Kom toch, ik zal u naar een andere plaats meenemen. Misschien is het goed in de ogen van die God dat u het daarvandaan voor mij vervloekt. 28 Toen nam Balak Bileam mee naar de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis. 29 En Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen. 30 Balak deed wat Bileam gezegd had. Hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram. Numbers 241 Toen Bileam zag dat het in de ogen van deHEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren, over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn. 2 Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël zag, gelegerd volgens zijn stammen, kwam de Geest van God over hem. 3 Hij hief zijn spreuk aan en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt, 4 hij die de woorden van God hoort, spreekt; die het visioen van de Almachtige ziet, terwijl hij neervalt met ontsloten ogen. 5 Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël! 6 Als beekdalen strekken ze zich uit, als tuinen aan een rivier; deHEERE plantte ze als aloë's, als ceders aan het water. 7 Water stroomt uit zijn emmers, zijn zaad krijgt veel water; zijn koning wordt boven Agag verheven en zijn koningschap verheft zich. 8 God heeft hem uit Egypte geleid; Hij is hem als de hoorns van een wilde os. Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden; hun beenderen zal hij breken, en met zijn pijlen doorboren. 9 Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? Wie u zegent, is gezegend, wie u vervloekt, is vervloekt! 10 Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend! 11 Nu dan, maak dat u wegkomt, naar uw woonplaats! Ik had gezegd dat ik u met eer zou overladen, maar zie, deHEERE heeft de eer aan u onthouden. 12 Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken: 13 Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van deHEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat deHEERE spreken zal, dat zal ik spreken. 14 Nu dan, zie, ik ga terug naar mijn volk. Kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk in later tijd uw volk zal aandoen. 15 Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt, 16 hij die de woorden van God hoort, spreekt en die de kennis van de Allerhoogste weet; die het visioen van de Almachtige ziet, terwijl hij neervalt met ontsloten ogen. 17 Ik zal hem zien, maar niet nu; ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij. Er zal een ster uit Jakob voortkomen, er zal een scepter uit Israël opkomen; hij zal de flanken van Moab verbrijzelen en alle zonen van Seth vernietigen. 18 Edom zal bezit zijn en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn, maar Israël zal kracht uitoefenen. 19 Uit Jakob zal hij heersen; wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen. 20 Toen Bileam Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei: Amalek is de voornaamste van de heidenvolken, maar zijn einde is dat hij ten onder gaat. 21 Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei: Uw woongebied staat vast, uw nest is in de rots vastgezet. 22 Toch zal Kaïn weggevaagd worden, doordat Assur u als gevangenen wegvoert. 23 En hij hief zijn spreuk aan, en zei: Och, wie zal leven, als God dit doet! 24 Van de kust van de Kittiërs komen schepen; zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken, maar ook zij zullen ten onder gaan. 25 Toen stond Bileam op, ging op weg en keerde terug naar zijn woonplaats. Ook Balak ging zijns weegs. |