Blinde Bartimaeus
| Secondary Keywords | Bartimeüs genezing keer |
|---|---|
| Schrift | Luke 1835 Het gebeurde nu toen Hij dicht bij Jericho kwam, dat een zekere blinde aan de weg zat te bedelen. 36 En toen hij de menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat er aan de hand was. 37 En zij vertelden hem dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38 En hij riep en zei: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij! 39 En zij die vooraan liepen, bestraften hem, opdat hij zou zwijgen. Hij echter riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij! 40 Jezus nu bleef staan en beval dat men hem naar Hem toe zou brengen en toen hij dichtbij gekomen was, vroeg Hij hem: 41 Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En hij zei: Heere, dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zei tegen hem: Word ziende. Uw geloof heeft u behouden. 43 En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En al het volk gaf God de eer, toen het dat zag. Mark 1046 And they came to Jericho. And as he was leaving Jericho with his disciples and a great crowd, Bartimaeus, a blind beggar, the son of Timaeus, was sitting by the roadside. 47 And when he heard that it was Jesus of Nazareth, he began to cry out and say, “Jesus, Son of David, have mercy on me!” 48 And many rebuked him, telling him to be silent. But he cried out all the more, “Son of David, have mercy on me!” 49 And Jesus stopped and said, “Call him.” And they called the blind man, saying to him, “Take heart. Get up; he is calling you.” 50 And throwing off his cloak, he sprang up and came to Jesus. 51 And Jesus said to him, “What do you want me to do for you?” And the blind man said to him, “Rabbi, let me recover my sight.” 52 And Jesus said to him, “Go your way; your faith has made you well.” And immediately he recovered his sight and followed him on the way. Matthew 2029 En toen zij Jericho uit gingen, volgde een grote menigte Hem. 30 En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons! 31 De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David! 32 En Jezus stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? 33 Zij zeiden tegen Hem: Heere, dat onze ogen geopend worden. 34 En Jezus, Die innerlijk met ontferming bewogen was, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem. |








