Op 37-jarige leeftijd werd David koning van Israël. Hij is koning van Juda sinds hij 30 was. Dit is een gelukkige, weemoedige tijd voor hem en een vervulling van Gods belofte aan hem.
1 Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.2 Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft deHEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.3 Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van deHEERE , en zij zalfden David tot koning over Israël.4 Dertig jaar oud was David toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd.5 Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda.