Mozes heeft zijn hand uitgestrekt over de zee zodat de Egyptenaren verslonden zullen worden. De Hebreeuwse mensen kijken toe terwijl het water terugkeert en de wagens en soldaten verdronken zijn.
23 De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, met al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.24 Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat deHEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.25 Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want deHEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.26 Toen zei deHEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27 Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte deHEERE de Egyptenaren midden in de zee.28 Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29 Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30 Zo verloste deHEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee liggen.31 Toen zag Israël de machtige hand die deHEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde deHEERE en geloofde in deHEERE en in Mozes, Zijn dienaar.