Jeruzalem belegerd door Babylon
| Trefwoorden | Babylon geknecht gevallen gevangen gevangene gevangenen Jeruzalem leger omvergeworpen slaaf slavernij stad verovering verslagen |
|---|---|
| Secondary Keywords | angstig bang beugel boeien geboeid helm keten kettingen pantser schild slavernij soldaat speer zwaard |
| Schrift | Daniel 11 In het derde jaar van de regering van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het. 2 En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, naar het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god. 3 Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij enigen van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen, 4 jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, ervaren in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën. 5 De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid van de gerechten van de koning voor hen vast, en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden van de koning. 6 Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. 7 Het hoofd van de hovelingen gaf hun andere namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego. 8 Daniël nu nam zich in zijn hart voor zich niet te besmetten met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen. 9 God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen. 10 Want het hoofd van de hovelingen zei tegen Daniël: Ik ben bevreesd voor mijn heer de koning, die uw eten en uw drinken heeft vastgesteld. Want waarom zou hij zien dat uw gezichten er slechter uitzien dan die van de andere jongemannen van uw groep? U zou bij de koning mijn hoofd met schuld beladen. 11 Toen zei Daniël tegen de kamerheer die het hoofd van de hovelingen had aangesteld over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja: 12 Stel uw dienaren toch tien dagen op de proef, en laat men ons plantaardig voedsel geven, zodat wij dat eten, en water, zodat we dat drinken. 13 En laat dan in uw tegenwoordigheid ons uiterlijk en het uiterlijk van de andere jongemannen, die de gerechten van de koning eten, bezien worden, en doe dan met uw dienaren naar wat u ziet. 14 Hij luisterde naar hen in deze zaak. Tien dagen stelde hij hen op de proef. 15 Aan het einde van die tien dagen zag men dat hun uiterlijk knapper was, en zagen zij er gezonder uit dan al de jongemannen die van de gerechten van de koning aten. 16 Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten, en de wijn die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf. 17 Aan deze vier jongemannen nu gaf God kennis en verstand van allerlei geschriften, en wijsheid, en Daniël gaf Hij inzicht in allerlei visioenen en dromen. 18 Aan het einde van de dagen waarvan de koning had gezegd dat men hen moest laten komen, liet het hoofd van de hovelingen hen bij koning Nebukadnezar komen. 19 De koning sprak met hen. Maar onder hen allen werd niemand gevonden als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zij traden in dienst van de koning. 20 In alle zaken waar het aankomt op een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs en bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren. 21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van koning Kores. Jeremiah 401 The word that came to Jeremiah from the LORD after Nebuzaradan the captain of the guard had let him go from Ramah, when he took him bound in chains along with all the captives of Jerusalem and Judah who were being exiled to Babylon. 2 The captain of the guard took Jeremiah and said to him, “The LORD your God pronounced this disaster against this place. 3 The LORD has brought it about, and has done as he said. Because you sinned against the LORD and did not obey his voice, this thing has come upon you. 4 Now, behold, I release you today from the chains on your hands. If it seems good to you to come with me to Babylon, come, and I will look after you well, but if it seems wrong to you to come with me to Babylon, do not come. See, the whole land is before you; go wherever you think it good and right to go. 5 If you remain, then return to Gedaliah the son of Ahikam, son of Shaphan, whom the king of Babylon appointed governor of the cities of Judah, and dwell with him among the people. Or go wherever you think it right to go.” So the captain of the guard gave him an allowance of food and a present, and let him go. 6 Then Jeremiah went to Gedaliah the son of Ahikam, at Mizpah, and lived with him among the people who were left in the land. 7 When all the captains of the forces in the open country and their men heard that the king of Babylon had appointed Gedaliah the son of Ahikam governor in the land and had committed to him men, women, and children, those of the poorest of the land who had not been taken into exile to Babylon, 8 they went to Gedaliah at Mizpah—Ishmael the son of Nethaniah, Johanan the son of Kareah, Seraiah the son of Tanhumeth, the sons of Ephai the Netophathite, Jezaniah the son of the Maacathite, they and their men. 9 Gedaliah the son of Ahikam, son of Shaphan, swore to them and their men, saying, “Do not be afraid to serve the Chaldeans. Dwell in the land and serve the king of Babylon, and it shall be well with you. 10 As for me, I will dwell at Mizpah, to represent you before the Chaldeans who will come to us. But as for you, gather wine and summer fruits and oil, and store them in your vessels, and dwell in your cities that you have taken.” 11 Likewise, when all the Judeans who were in Moab and among the Ammonites and in Edom and in other lands heard that the king of Babylon had left a remnant in Judah and had appointed Gedaliah the son of Ahikam, son of Shaphan, as governor over them, 12 then all the Judeans returned from all the places to which they had been driven and came to the land of Judah, to Gedaliah at Mizpah. And they gathered wine and summer fruits in great abundance. 13 Now Johanan the son of Kareah and all the leaders of the forces in the open country came to Gedaliah at Mizpah 14 and said to him, “Do you know that Baalis the king of the Ammonites has sent Ishmael the son of Nethaniah to take your life?” But Gedaliah the son of Ahikam would not believe them. 15 Then Johanan the son of Kareah spoke secretly to Gedaliah at Mizpah, “Please let me go and strike down Ishmael the son of Nethaniah, and no one will know it. Why should he take your life, so that all the Judeans who are gathered about you would be scattered, and the remnant of Judah would perish?” 16 But Gedaliah the son of Ahikam said to Johanan the son of Kareah, “You shall not do this thing, for you are speaking falsely of Ishmael.” Jeremiah 4846 Woe to you, O Moab! The people of Chemosh are undone, for your sons have been taken captive, and your daughters into captivity. |