Het laatste avondmaal
| Schrift | Luke 227 Then came the day of Unleavened Bread, on which the Passover lamb had to be sacrificed. 8 So Jesus sent Peter and John, saying, “Go and prepare the Passover for us, that we may eat it.” 9 They said to him, “Where will you have us prepare it?” 10 He said to them, “Behold, when you have entered the city, a man carrying a jar of water will meet you. Follow him into the house that he enters 11 and tell the master of the house, ‘The Teacher says to you, Where is the guest room, where I may eat the Passover with my disciples?’ 12 And he will show you a large upper room furnished; prepare it there.” 13 And they went and found it just as he had told them, and they prepared the Passover. 14 And when the hour came, he reclined at table, and the apostles with him. 15 And he said to them, “I have earnestly desired to eat this Passover with you before I suffer. 16 For I tell you I will not eat it until it is fulfilled in the kingdom of God.” 17 And he took a cup, and when he had given thanks he said, “Take this, and divide it among yourselves. 18 For I tell you that from now on I will not drink of the fruit of the vine until the kingdom of God comes.” 19 And he took bread, and when he had given thanks, he broke it and gave it to them, saying, “This is my body, which is given for you. Do this in remembrance of me.” 20 And likewise the cup after they had eaten, saying, “This cup that is poured out for you is the new covenant in my blood. 21 But behold, the hand of him who betrays me is with me on the table. 22 For the Son of Man goes as it has been determined, but woe to that man by whom he is betrayed!” 23 And they began to question one another, which of them it could be who was going to do this. 24 A dispute also arose among them, as to which of them was to be regarded as the greatest. 25 And he said to them, “The kings of the Gentiles exercise lordship over them, and those in authority over them are called benefactors. 26 But not so with you. Rather, let the greatest among you become as the youngest, and the leader as one who serves. 27 For who is the greater, one who reclines at table or one who serves? Is it not the one who reclines at table? But I am among you as the one who serves. 28 “You are those who have stayed with me in my trials, 29 and I assign to you, as my Father assigned to me, a kingdom, 30 that you may eat and drink at my table in my kingdom and sit on thrones judging the twelve tribes of Israel. 31 “Simon, Simon, behold, Satan demanded to have you, that he might sift you like wheat, 32 but I have prayed for you that your faith may not fail. And when you have turned again, strengthen your brothers.” 33 Peter said to him, “Lord, I am ready to go with you both to prison and to death.” 34 Jesus said, “I tell you, Peter, the rooster will not crow this day, until you deny three times that you know me.” 35 And he said to them, “When I sent you out with no moneybag or knapsack or sandals, did you lack anything?” They said, “Nothing.” 36 He said to them, “But now let the one who has a moneybag take it, and likewise a knapsack. And let the one who has no sword sell his cloak and buy one. 37 For I tell you that this Scripture must be fulfilled in me: ‘And he was numbered with the transgressors.’ For what is written about me has its fulfillment.” 38 And they said, “Look, Lord, here are two swords.” And he said to them, “It is enough.” Mark 1412 En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer ze het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en voorbereidingen treffen, zodat U het Pascha kunt eten? 13 En Hij stuurde twee van Zijn discipelen eropuit en zei tegen hen: Ga de stad in en iemand zal u tegemoetkomen die een kruik water draagt; volg hem, 14 en waar hij ook naar binnen gaat, zeg daar tegen de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal? 15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, volledig ingericht en klaar; maak het daar voor ons gereed. 16 En Zijn discipelen vertrokken en kwamen in de stad en zij vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed. 17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf. 18 En toen zij aanlagen en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u, die met Mij eet, Mij verraden zal. 19 En zij begonnen bedroefd te worden en de een na de ander tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet? En weer een ander: Ik ben het toch niet? 20 Maar Hij antwoordde hun: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel indoopt. 21 De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn, als hij niet geboren was. 22 En terwijl zij aten, nam Jezus brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam. 23 En Hij nam de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zij dronken er allen uit. 24 En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe testament, dat voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God. 26 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg. Matthew 2617 Op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen naar Jezus toe en zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij voorbereidingen voor U treffen om het Pascha te eten? 18 Hij zei: Ga de stad in naar een zeker persoon en zeg tegen hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen. 19 En de discipelen deden zoals Jezus hun opgedragen had, en maakten het Pascha gereed. 20 Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf. 21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden. 22 En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere? 23 Hij antwoordde en zei: Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden. 24 De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was. 25 Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U hebt het gezegd. 26 En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam. 27 Hij nam ook de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die, en zei: Drink allen daaruit, 28 want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. 29 Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. 30 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg. |
|---|