David's Victories
| Secondary Keywords | david koningen koninkrijk oud samuel verenigd |
|---|---|
| Schrift | 2 Samuel 101 Het gebeurde daarna dat de koning van de Ammonieten stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats. 2 Toen zei David: Ik zal goedertierenheid bewijzen aan Hanun, de zoon van Nahas, zoals zijn vader mij goedertierenheid heeft bewezen. En David stuurde boden om hem door de hand van zijn dienaren te troosten vanwege zijn vader. Toen de dienaren van David echter in het land van de Ammonieten aankwamen, 3 zeiden de vorsten van de Ammonieten tegen hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen door mannen naar u toe te sturen om u te troosten? Heeft David niet daarom zijn dienaren naar u toegestuurd om de stad te doorzoeken, haar te verkennen en haar ondersteboven te keren? 4 Daarop nam Hanun de dienaren van David, schoor hun baard half af en sneed hun kleren halverwege af, tot aan hun billen, en liet hen gaan. 5 Toen men dit aan David vertelde, stuurde hij hun boden tegemoet, want deze mannen waren zeer te schande gemaakt. De koning zei: Blijf in Jericho tot uw baard weer aangegroeid is en kom dan terug. 6 Toen de Ammonieten zagen dat zij bij David in een kwade reuk gekomen waren, stuurden de Ammonieten boden en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob en van de Syriërs van Zoba twintigduizend man voetvolk, en van de koning van Maächa duizend man en van de mannen van Tob twaalfduizend man. 7 Toen David dit hoorde, stuurde hij Joab ernaartoe en heel het leger met de helden. 8 De Ammonieten trokken uit en stelden zich op voor de strijd bij de ingang van de poort, maar de Syriërs van Zoba en Rechob en de mannen van Tob en Maächa bevonden zich afzonderlijk in het veld. 9 Toen Joab zag dat het front van de strijd aan de voor- en achterzijde tegen hem was, maakte hij een keuze uit de beste van alle mannen van Israël en stelde die op tegen de Syriërs. 10 De rest van het volk stelde hij onder bevel van zijn broer Abisaï, die hen opstelde tegen de Ammonieten. 11 Hij zei: Als de Syriërs mij te sterk zijn, moet jij mij komen verlossen, en als de Ammonieten jou te sterk zijn, zal ik jou komen verlossen. 12 Wees sterk en laten wij moed vatten voor ons volk en voor de steden van onze God, en laat deHEERE doen wat goed is in Zijn ogen. 13 Toen bond Joab, met het volk dat bij hem was, de strijd aan met de Syriërs en die sloegen voor hem op de vlucht. 14 Toen de Ammonieten zagen dat de Syriërs vluchtten, sloegen zij voor Abisaï op de vlucht en kwamen in de stad. Daarop keerde Joab terug van de Ammonieten en kwam in Jeruzalem. 15 Toen de Syriërs zagen dat zij door Israël verslagen waren, verzamelden zij zich opnieuw. 16 Hadadezer stuurde boden en liet de Syriërs komen die aan de overzijde van de rivier de Eufraat woonden, en zij kwamen in Helam. En Sobach, de legerbevelhebber van Hadadezer, trok voor hen uit. 17 Toen dit aan David verteld werd, verzamelde hij heel Israël, stak de Jordaan over en kwam in Helam. De Syriërs stelden zich op tegen David en streden met hem. 18 Maar de Syriërs sloegen voor Israël op de vlucht, en David doodde van de Syriërs zevenhonderd wagenpaarden en veertigduizend ruiters. Ook versloeg hij Sobach, hun legerbevelhebber, zodat die daar stierf. 19 Toen nu al de koningen die vazallen van Hadadezer waren, inzagen dat zij door Israël verslagen waren, sloten zij vrede met Israël en dienden zij hen. En de Syriërs waren bevreesd de Ammonieten nog eens te verlossen. 2 Samuel 51 Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees. 2 Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft deHEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël. 3 Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van deHEERE , en zij zalfden David tot koning over Israël. 4 Dertig jaar oud was David toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd. 5 Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda. 6 De koning trok met zijn mannen op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. Zij zeiden tegen David: U komt hier niet binnen, want zelfs de blinden en de kreupelen zullen u terugdrijven. Dat wil zeggen: David komt hier niet binnen. 7 David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in. 8 David zei namelijk op die dag: Ieder die de Jebusieten wil verslaan, moet de watergang zien te bereiken. En wat die kreupelen en die blinden betreft, David haat ze met heel zijn ziel. Daarom zegt men wel: Een blinde of kreupele zal niet in het huis komen. 9 Zo ging David in de vesting wonen en hij noemde die: Stad van David. David bouwde rondom een muur, vanaf de Millo naar de binnenzijde. 10 David nam gaandeweg toe in aanzien, want deHEERE , de God van de legermachten, was met hem. 11 Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en metselaars; zij bouwden een huis voor David. 12 David besefte dat deHEERE hem tot koning over Israël bevestigd had en dat Hij zijn koningschap verheven had ter wille van Zijn volk Israël. 13 David nam nog meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem, nadat hij uit Hebron gekomen was, en bij David werden nog meer zonen en dochters geboren. 14 Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo, 15 Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia, 16 Elisama, Eljada en Elifelet. 17 Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting. 18 De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm. 19 David vroeg deHEERE : Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En deHEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven. 20 Toen kwam David in Baäl-Perazim. David versloeg hen daar en zei: DeHEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim. 21 Zij lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen ze mee. 22 Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm. 23 David vroeg deHEERE om raad. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen. 24 En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is deHEERE vóór u uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan. 25 David deed zo, zoals deHEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt. 2 Samuel 81 Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; David nam Meteg-Amma uit de macht van de Filistijnen. 2 Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren en zij moesten schatting afdragen. 3 Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen. 4 David nam van hem duizend wagens af en nam zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen. Ook sneed David de hielpezen van alle wagenpaarden door, maar hield er honderd wagenpaarden van over. 5 De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man. 6 David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David en moesten schatting afdragen. DeHEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging. 7 David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem. 8 En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee. 9 Toen nu Toï, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer verslagen had, 10 stuurde Toï zijn zoon Joram naar koning David om hem naar zijn welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toï – en hij had zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en koperen voorwerpen bij zich. 11 Koning David heiligde ook die voor deHEERE , evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij aan zich had onderworpen: 12 van Syrië, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen, van Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 13 Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend man. 14 Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. DeHEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging. 15 Zo regeerde David over heel Israël, en David deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk. 16 Joab, de zoon van Zeruja, ging over het leger en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 17 En Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. 18 En Benaja, de zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren echter staatsdienaren. |