1 Jozef was dus naar Egypte gebracht. Potifar, hoveling van de farao, het hoofd van de lijfwacht, een Egyptische man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen gebracht hadden.2 DeHEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij bleef in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.3 En toen zijn heer zag dat deHEERE met hem was en dat deHEERE alles wat hij deed door zijn hand voorspoedig deed verlopen,