3 En toen zijn heer zag dat deHEERE met hem was en dat deHEERE alles wat hij deed door zijn hand voorspoedig deed verlopen,4 vond Jozef genade in zijn ogen, en mocht hij hem bedienen. Potifar stelde hem aan over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand.5 En het gebeurde vanaf het moment dat hij hem over zijn huis en alles wat hij had, had aangesteld, dat deHEERE het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef zegende. Ja, de zegen van deHEERE rustte op alles wat hij bezat, zowel in het huis als op het land.