21 Toen zei deHEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, zodat er duisternis komen zal over het land Egypte, en de duisternis te tasten is.22 Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen lang.23 Zij zagen elkaar niet, en drie dagen lang stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.24 Toen riep de farao Mozes, en zei: Ga en dien deHEERE . Alleen uw kleinvee en uw runderen moeten achterblijven. Uw kleine kinderen mogen wel met u meegaan.25 Maar Mozes zei: U moet ons zelf ook slachtoffers en brandoffers ter beschikking stellen, die wij aan deHEERE , onze God, zullen brengen,26 en ons vee zal ook met ons meegaan. Geen hoef zal achterblijven, want van het vee moeten wij nemen om deHEERE , onze God, te dienen. Wij immers, wij weten niet waarmee wij deHEERE , onze God, zullen dienen, totdat wij daar komen.27 Maar deHEERE verhardde het hart van de farao, en hij wilde hen niet laten gaan.28 En de farao zei tegen Mozes: Ga bij mij weg! Wees op uw hoede, dat u mij niet nog eens onder ogen komt, want op de dag dat u mij onder ogen komt, zult u sterven!29 Mozes nu zei: U hebt juist gesproken. Ik zal u niet meer onder ogen komen.