Abram en zijn neef Lot hadden allebei veel dieren te voeden. Toen hun bedienden begonnen te ruziën over wie het beste land zou krijgen, greep Abram in en gaf Lot zijn keuze van het land. Abram nam wat er over was.
8 En Abram zei tegen Lot: Laat er toch geen onenigheid zijn tussen mij en jou, en tussen mijn herders en jouw herders. Wij zijn immers mannen die broeders zijn!9 Ligt heel het land niet voor je open? Scheid je toch van mij af: als jij naar links gaat, dan zal ik naar rechts gaan, en als jij naar rechts gaat, dan zal ik naar links gaan.