Christus voor Pilatus
| Trefwoorden | Gegeseld Jezus Ondervraagd Pasen |
|---|---|
| Secondary Keywords | christus misbruikt passie Pilatus |
| Schrift | John 1828 Ze brachten dan Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw, en het was 's morgens vroeg. En zij gingen het gerechtsgebouw niet in, opdat zij niet bezoedeld zouden worden, maar het Pascha konden eten. 29 Pilatus dan ging naar buiten, naar hen toe en zei: Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in? 30 Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Als Deze geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zei tegen hen: Neemt u Hem en oordeel Hem volgens uw wet. De Joden dan zeiden tegen hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden. 32 Dat gebeurde opdat het woord vervuld zou worden dat Jezus gesproken had, toen Hij aanduidde wat voor dood Hij zou sterven. 33 Pilatus dan ging het gerechtsgebouw weer in, riep Jezus en zei tegen Hem: Bent U de Koning van de Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen het u over Mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor. 38 Pilatus zei tegen Hem: Wat is waarheid? En nadat hij dat gezegd had, ging hij opnieuw naar buiten naar de Joden, en zei tegen hen: Ik vind geen schuld in Hem. Luke 231 Then the whole company of them arose and brought him before Pilate. 2 And they began to accuse him, saying, “We found this man misleading our nation and forbidding us to give tribute to Caesar, and saying that he himself is Christ, a king.” 3 And Pilate asked him, “Are you the King of the Jews?” And he answered him, “You have said so.” 4 Then Pilate said to the chief priests and the crowds, “I find no guilt in this man.” 5 But they were urgent, saying, “He stirs up the people, teaching throughout all Judea, from Galilee even to this place.” Mark 151 And as soon as it was morning, the chief priests held a consultation with the elders and scribes and the whole Council. And they bound Jesus and led him away and delivered him over to Pilate. 2 And Pilate asked him, “Are you the King of the Jews?” And he answered him, “You have said so.” 3 And the chief priests accused him of many things. 4 And Pilate again asked him, “Have you no answer to make? See how many charges they bring against you.” 5 But Jesus made no further answer, so that Pilate was amazed. Matthew 2711 Jezus stond voor de stadhouder en de stadhouder vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? Jezus zei tegen hem: U zegt het. 12 En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. 13 Toen zei Pilatus tegen Hem: Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen? 14 Maar Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde. |