David Bidden
| Secondary Keywords | bidden David koningen koninkrijk Samuel verenigd |
|---|---|
| Schrift | 2 Samuel 12 2 Samuel 22 2 Samuel 7 |
2 Samuel 121 En deHEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2 De rijke had heel veel schapen en runderen.3 Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at mee van zijn stuk brood, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4 Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen een van zijn eigen schapen en runderen te nemen, om een maaltijd te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5 Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: Zo waar deHEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6 En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7 Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt deHEERE , de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8 Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en bovendien de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9 Waarom hebt u dan het woord van deHEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10 Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11 Zo zegt deHEERE : Zie, Ik breng onheil over u uit uw eigen huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12 Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.13 Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen deHEERE . En Nathan zei tegen David: DeHEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.14 Omdat u echter door deze zaak de vijanden van deHEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven.15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En deHEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd.16 David zocht God voor het jongetje; David vastte streng en toen hij naar binnen ging om te overnachten, ging hij op de grond liggen.17 Toen stonden de oudsten van zijn huis op en kwamen bij hem om hem van de grond te doen opstaan; hij wilde echter niet, en at geen brood met hen.18 Het gebeurde op de zevende dag dat het kind stierf. De dienaren van David waren bevreesd tegen hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij wilde niet naar onze stem luisteren. Hoe kunnen wij dan tegen hem zeggen: Het kind is dood? Dat zou kwaad doen!19 Maar David zag dat zijn dienaren mompelden; daardoor merkte David dat het kind dood was. Dus zei David tegen zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden daarop: Ja, het is dood.20 Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding. Hij ging het huis van deHEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om eten; zij zetten hem voedsel voor en hij at.21 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om het levende kind hebt u gevast en gehuild, maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt.22 Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is deHEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft.23 Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.24 Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba. Hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij baarde een zoon, die hij de naam Salomo gaf. DeHEERE had hem lief,25 en zond een boodschap door de dienst van de profeet Nathan en noemde zijn naam Jedid-Jah, omwille van deHEERE .26 Joab nu streed tegen Rabba van de Ammonieten, en hij zou de koningsstad innemen.27 Toen stuurde Joab boden naar David, en zei: Ik heb gestreden tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.28 Verzamel dan nu de rest van het volk, beleger de stad en neem haar in, anders neem ík de stad in en wordt míjn naam over haar uitgeroepen.29 Toen verzamelde David al dat volk en trok naar Rabba; hij streed ertegen en nam het in.30 En hij nam de kroon van hun koning van diens hoofd, waarvan het gewicht, mét het edelgesteente, een talent goud was, en die werd op Davids hoofd gezet. Ook haalde hij een zeer grote buit uit de stad.31 Het volk dat daarin was, liet hij eruit halen en zette het bij zagen, bij ijzeren houwelen en bij ijzeren bijlen, en liet hen overbrengen naar de steenovens. Zo deed hij met alle steden van de Ammonieten. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem. 2 Samuel 221 David sprak de woorden van dit lied tot deHEERE op de dag waarop deHEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.2 Hij zei: DeHEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,3 mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem, mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting; mijn toevlucht, mijn Verlosser; van geweld hebt U mij verlost.4 Ik riep deHEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.5 Want golven van de dood hadden mij omvangen, beken van verderf joegen mij angst aan.6 Banden van het graf omringden mij, valstrikken van de dood bedreigden mij.7 In mijn nood riep ik deHEERE aan, ik riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis, mijn hulpgeroep kwam in Zijn oren.8 Toen daverde en beefde de aarde, de fundamenten van de hemel sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontstoken was.9 Rook steeg op uit Zijn neus en vuur uit Zijn mond verteerde. Kolen werden daardoor aangestoken.10 Hij boog de hemel en daalde neer, een donkere wolk was onder Zijn voeten.11 Hij reed op een cherub en vloog, ja, Hij werd gezien op de vleugels van de wind.12 Hij maakte duisternis tot tenten om Zich heen, een opeenhoping van water, donkere wolken.13 Door de lichtglans vóór Hem ontbrandden vurige kolen!14 DeHEERE deed het vanuit de hemel donderen, de Allerhoogste liet Zijn stem klinken.15 Hij schoot pijlen af en verspreidde hen, Hij zond bliksem en bracht hen in verwarring.16 De bodem van de zee werd zichtbaar, de fundamenten van de wereld werden blootgelegd door de bestraffing van deHEERE , door het blazen van de adem uit Zijn neus.17 Hij stak Zijn hand uit van omhoog, Hij greep mij, Hij trok mij op uit grote wateren.18 Hij redde mij van mijn sterke vijand en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.19 Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang, maar deHEERE was mij tot steun.20 Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij, want Hij was mij genegen.21 DeHEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij loon naar de reinheid van mijn handen.22 Want ik heb de wegen van deHEERE in acht genomen, ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.23 Want al Zijn bepalingen hield ik voor ogen, van Zijn verordeningen week ik niet af,24 maar ik was oprecht voor Hem, ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.25 Daarom gaf deHEERE mij naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid voor Zijn ogen.26 Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren, tegenover de oprechte held oprecht.27 Tegenover de reine toont U Zich rein, maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.28 Want U verlost het ellendige volk, maar Uw ogen zijn tegen de hoogmoedigen, U vernedert hen.29 Want U doet mijn lamp schijnen,HEERE ; deHEERE doet mijn duisternis opklaren.30 Want met U ren ik door een legerbende, met mijn God spring ik over een muur.31 Gods weg is volmaakt, de woorden van deHEERE zijn gelouterd, Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.32 Want wie is God, behalve deHEERE ? Wie is een rots dan alleen onze God?33 God is mijn vesting en kracht; Hij heeft mijn weg volkomen gebaand.34 Hij maakt mijn voeten als die van hinden en doet mij op mijn hoogten staan.35 Hij oefent mijn handen voor de strijd en leert mijn armen een bronzen boog spannen.36 Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven, Uw vernederen heeft mij groot gemaakt.37 U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven, mijn enkels hebben niet gewankeld.38 Ik vervolgde mijn vijanden en vaagde hen weg; ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.39 Ik vernietigde hen en verpletterde hen, zodat zij niet meer opstonden; zij vielen onder mijn voeten.40 Want U omgordde mij met kracht voor de strijd; U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.41 Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan, die mij haatten, en ik bracht hen om.42 Zij keken uit, maar er was geen verlosser; naar deHEERE , maar Hij antwoordde hun niet.43 Toen vergruisde ik hen als stof op de aarde, ik verpulverde hen en vertrapte hen als slijk op de straten.44 U hebt mij bevrijd van de aanklachten van mijn volk; U hebt mij bewaard tot hoofd van de heidenvolken; het volk dat ik niet kende, dient mij.45 Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen. Zodra hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.46 Vreemdelingen zijn bezweken en kwamen sidderend uit hun burchten.47 DeHEERE leeft, en geloofd zij mijn rots, geroemd zij de God en rots van mijn heil,48 de God Die mij volkomen wraak geeft en volken aan mij onderwerpt,49 Die mij aan de macht van mijn vijanden onttrekt; ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan, U redt mij van de man van veel geweld.50 Daarom zal ik U,HEERE , loven onder de heidenvolken, voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.51 Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid. 2 Samuel 71 En het gebeurde, toen de koning in zijn huis zat, en deHEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom,2 dat de koning tegen de profeet Nathan zei: Zie toch, ik verblijf in een huis van cederhout, terwijl de ark van God te midden van tentdoek verblijft.3 Nathan zei tegen de koning: Ga uw gang, doe al wat in uw hart is, want deHEERE is met u.4 Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van deHEERE tot Nathan kwam:5 Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt deHEERE : Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?6 Ik heb immers niet in een huis gewoond, van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken.7 Heb Ik ooit, overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?8 Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt deHEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.9 Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw ogen uitgeroeid. Ik heb een grote naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.10 Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,11 en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt deHEERE u bekend dat deHEERE voor ú een huis zal maken.12 Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13 Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14 Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.15 Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw ogen weggenomen heb.16 Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.17 Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.18 Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van deHEERE . Hij zei: Wie ben ik, HeereHEERE , en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?19 En dit was in Uw ogen nog gering, HeereHEERE , en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden; en dit overeenkomstig de wet van de mensen, HeereHEERE !20 En wat zal David nog meer tot U spreken? Ú kent Uw dienaar immers, HeereHEERE .21 Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en aan Uw dienaar bekendgemaakt.22 Daarom bent U groot, Heere God, want er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.23 En wie is als Uw volk, als Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken en voor u, Israël, deze grote en ontzagwekkende dingen te doen: voor Uw land, voor de ogen van Uw volk, dat U voor Uzelf uit Egypte verlost hebt van heidenvolken en hun goden.24 U hebt Uw volk Israël voor eeuwig voor Uzelf bevestigd als Uw volk, en Ú,HEERE , bent hun tot een God geworden.25 Nu dan,HEERE God, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bestaan, en doe zoals U gesproken hebt.26 En laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: DeHEERE van de legermachten is God over Israël, en het huis van Uw dienaar David zal zeker zijn voor Uw aangezicht.27 Want U,HEERE van de legermachten, God van Israël, U hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld: Ik zal voor u een huis bouwen. Daarom heeft Uw dienaar vrijmoedigheid gevonden dit gebed tot U te bidden.28 Nu dan, HeereHEERE , U bent die God en Uw woorden zijn waarheid, en U hebt dit goede tot Uw dienaar gesproken.29 Moge het U dan nu behagen het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HeereHEERE , hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor eeuwig gezegend worden. | |








