Buiten een grot in de wildernis in de buurt van nl-Gedi roept David Saul. David houdt een stuk van Sauls gewaad in zijn hand; Saul draait terug om te kijken naar de grot.
5 Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie, de dag waarvan deHEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen! Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.6 En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de mantel van Saul afgesneden had.7 En hij zei tegen zijn mannen: Moge deHEERE er geen sprake van laten zijn dat ik ooit zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van deHEERE , dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van deHEERE .8 En David weerhield zijn mannen met deze woorden, en hij liet hun niet toe tegen Saul op te staan. En Saul stond op en ging de grot uit, naar de weg.9 Daarna stond David op, ging de grot uit en riep Saul achterna: Mijn heer de koning! Toen keek Saul achter zich en David knielde met zijn gezicht ter aarde en boog zich neer.10 En David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar de woorden van de mensen die zeggen: Zie, David wil u kwaad doen?11 Zie, deze dag hebben uw ogen gezien dat deHEERE u vandaag in mijn hand gegeven heeft in de grot. Men zei dat ik u doden moest, maar ik heb u gespaard, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer; hij is immers de gezalfde van deHEERE .12 Zie toch, mijn vader, ja zie, een punt van uw mantel in mijn hand! Toen ik namelijk die punt van uw mantel afsneed, heb ik u niet gedood. Erken en zie dat er in mijn hand geen kwaad of overtreding is, en dat ik tegen u niet gezondigd heb. Toch jaagt u op mijn leven om dat weg te nemen.13 DeHEERE zal rechtspreken tussen mij en u. DeHEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.