Abishai houdt zijn speer klaar om Saul binnen te dringen. David staat vlakbij en steekt zijn hand uit naar Abishai in een "stop" gebaar, omdat David hem zegt Saul niets aan te doen.
5 David stond op en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. En David overzag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn legerbevelhebber. Saul lag in het wagenkamp en het volk was rondom hem gelegerd.6 Toen nam David het woord en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisaï, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats? Toen zei Abisaï: Ik ga met u mee.7 Zo kwamen David en Abisaï 's nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen in het wagenkamp, met zijn speer aan zijn hoofdeinde in de grond gestoken. Abner en het volk lagen rondom hem.8 Toen zei Abisaï tegen David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand overgeleverd. Laat mij hem toch met zijn speer aan de grond spietsen, in één keer; ik hoef het geen tweede keer te doen.9 David zei echter tegen Abisaï: Breng hem niet om; want wie sloeg zijn hand aan de gezalfde van deHEERE en is onschuldig gebleven?10 Verder zei David: Zo waar deHEERE leeft, voorzeker, deHEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt.11 Moge deHEERE er geen sprake van laten zijn dat ik mijn hand sla aan de gezalfde van deHEERE . Neem echter wel de speer mee, die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.12 Zo nam David de speer en de waterkruik bij Sauls hoofdeinde mee, en zij gingen weg. Er was niemand die het zag, niemand die het merkte, en ook niemand die wakker werd. Zij allen sliepen, omdat een diepe slaap van deHEERE op hen gevallen was.