David Onderdelen Saul
| Secondary Keywords | david koningen koninkrijk nacht Onderdelen oud samuel Saul verenigd |
|---|---|
| Schrift | 1 Samuel 261 De Zifieten kwamen bij Saul in Gibea en zeiden: Houdt David zich niet verborgen op de heuvel Hachila, tegenover de wildernis? 2 Toen stond Saul op en trok naar de woestijn Zif, en met hem drieduizend man, de beste van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. 3 Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan de weg ligt; maar David bleef in de woestijn en zag dat Saul achter hem aan kwam naar de woestijn. 4 Toen stuurde David verkenners, en hij kwam met zekerheid te weten dat Saul gekomen was. 5 David stond op en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. En David overzag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn legerbevelhebber. Saul lag in het wagenkamp en het volk was rondom hem gelegerd. 6 Toen nam David het woord en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisaï, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats? Toen zei Abisaï: Ik ga met u mee. 7 Zo kwamen David en Abisaï 's nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen in het wagenkamp, met zijn speer aan zijn hoofdeinde in de grond gestoken. Abner en het volk lagen rondom hem. 8 Toen zei Abisaï tegen David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand overgeleverd. Laat mij hem toch met zijn speer aan de grond spietsen, in één keer; ik hoef het geen tweede keer te doen. 9 David zei echter tegen Abisaï: Breng hem niet om; want wie sloeg zijn hand aan de gezalfde van deHEERE en is onschuldig gebleven? 10 Verder zei David: Zo waar deHEERE leeft, voorzeker, deHEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt. 11 Moge deHEERE er geen sprake van laten zijn dat ik mijn hand sla aan de gezalfde van deHEERE . Neem echter wel de speer mee, die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan. 12 Zo nam David de speer en de waterkruik bij Sauls hoofdeinde mee, en zij gingen weg. Er was niemand die het zag, niemand die het merkte, en ook niemand die wakker werd. Zij allen sliepen, omdat een diepe slaap van deHEERE op hen gevallen was. 13 Toen David naar de andere kant overgestoken was, ging hij ver weg op een bergtop staan. Er was een grote ruimte tussen hen. 14 En David riep naar het volk en naar Abner, de zoon van Ner: Antwoordt u niet, Abner? Toen antwoordde Abner en zei: Wie bent u die naar de koning roept? 15 Toen zei David tegen Abner: Bent u niet een man, en wie is aan u gelijk in Israël? Waarom hebt u dan niet over uw heer, de koning, gewaakt? Er is namelijk iemand van het volk gekomen om de koning, uw heer, om te brengen. 16 Wat u gedaan hebt, is niet goed; zo waar deHEERE leeft, u bent des doods schuldig, omdat u niet over uw heer, de gezalfde van deHEERE , gewaakt hebt! En nu, kijk waar de speer van de koning is, en de waterkruik, die aan zijn hoofdeinde stond. 17 Saul herkende de stem van David en zei: Is dit jouw stem, mijn zoon David? David zei: Het is mijn stem, mijn heer de koning. 18 Hij zei verder: Waarom achtervolgt mijn heer zijn dienaar zo? Wat heb ik toch gedaan, wat voor kwaad heb ik bedreven? 19 En nu, laat mijn heer de koning toch luisteren naar de woorden van zijn dienaar. Als deHEERE u tegen mij opzet, laat Hem dan de geur van een graanoffer ruiken. Maar als het mensenkinderen zijn, dan zijn zij vervloekt voor het aangezicht van deHEERE , omdat zij mij deze dag verstoten, zodat ik mij niet bij het eigendom van deHEERE kan voegen, en ze zeggen: Ga heen, dien andere goden. 20 Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van deHEERE . Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt. 21 Toen zei Saul: Ik heb gezondigd; keer terug, mijn zoon David, want ik zal je geen kwaad meer doen, omdat mijn leven deze dag kostbaar was in jouw ogen. Zie, ik heb dwaas gehandeld, ik heb zeer ernstig gedwaald. 22 Toen antwoordde David en zei: Zie, de speer van de koning. Laat een van de knechten oversteken en hem halen. 23 Moge deHEERE ieder zijn gerechtigheid en trouw vergelden, want deHEERE had u vandaag in mijn hand gegeven, maar ik heb mijn hand niet naar de gezalfde van deHEERE willen uitstrekken. 24 En zie, zoals uw leven deze dag belangrijk in mijn ogen was, zo moge mijn leven belangrijk zijn in de ogen van deHEERE , en moge Hij mij uit alle nood redden. 25 Toen zei Saul tegen David: Gezegend ben je, mijn zoon David; wat je ook doet, je zult ertoe in staat zijn. Toen ging David zijns weegs, en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. |