Davids bekentenis
| Secondary Keywords | belijdenis Confronteert David koningen koninkrijk Nathan Samuel verenigd |
|---|---|
| Schrift | 1 Chronicles 17 2 Samuel 12 Psalms 32 Psalms 51 |
1 Chronicles 171 En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van cederhout, maar de ark van het verbond van deHEERE onder tentkleden.2 Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.3 Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:4 Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt deHEERE : Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.5 Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel tot tabernakel.6 Heb Ik ooit, overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?7 Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt deHEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.8 Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw ogen uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.9 Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,10 en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat deHEERE voor ú een huis zal bouwen.11 En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die een van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12 Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.13 Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik die weggenomen heb van hem die er vóór u was,14 maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.15 Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.16 Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van deHEERE . Hij zei: Wie ben ik,HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?17 En dit was in Uw ogen nog gering, o God, en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden; en U hebt mij als een rij mensen gezien, in opgaande lijn,HEERE God!18 Wat zal David nog meer tot U spreken, vanwege deze eer aan Uw dienaar? Ú kent Uw dienaar immers.19 HEERE , omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en al deze grote dingen bekendgemaakt.20 HEERE , er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.21 En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken door het doen van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor de ogen van Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt.22 U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú,HEERE , bent hun tot een God geworden.23 Nu dan,HEERE , laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.24 Ja, laat het bewaarheid worden, en laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: DeHEERE van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël, en laat het huis van Uw dienaar David zeker zijn voor Uw aangezicht.25 Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld dat U voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft Uw dienaar vrijmoedigheid gevonden dit gebed voor Uw aangezicht te bidden.26 Nu dan,HEERE , U bent die God, en U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken.27 Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U,HEERE , hebt het gezegend, en het zal voor eeuwig gezegend zijn. 2 Samuel 121 En deHEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2 De rijke had heel veel schapen en runderen.3 Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at mee van zijn stuk brood, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4 Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen een van zijn eigen schapen en runderen te nemen, om een maaltijd te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5 Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: Zo waar deHEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6 En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7 Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt deHEERE , de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8 Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en bovendien de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9 Waarom hebt u dan het woord van deHEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10 Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11 Zo zegt deHEERE : Zie, Ik breng onheil over u uit uw eigen huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12 Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.13 Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen deHEERE . En Nathan zei tegen David: DeHEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.14 Omdat u echter door deze zaak de vijanden van deHEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven.15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En deHEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd.16 David zocht God voor het jongetje; David vastte streng en toen hij naar binnen ging om te overnachten, ging hij op de grond liggen.17 Toen stonden de oudsten van zijn huis op en kwamen bij hem om hem van de grond te doen opstaan; hij wilde echter niet, en at geen brood met hen.18 Het gebeurde op de zevende dag dat het kind stierf. De dienaren van David waren bevreesd tegen hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij wilde niet naar onze stem luisteren. Hoe kunnen wij dan tegen hem zeggen: Het kind is dood? Dat zou kwaad doen!19 Maar David zag dat zijn dienaren mompelden; daardoor merkte David dat het kind dood was. Dus zei David tegen zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden daarop: Ja, het is dood.20 Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding. Hij ging het huis van deHEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om eten; zij zetten hem voedsel voor en hij at.21 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om het levende kind hebt u gevast en gehuild, maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt.22 Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is deHEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft.23 Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.24 Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba. Hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij baarde een zoon, die hij de naam Salomo gaf. DeHEERE had hem lief,25 en zond een boodschap door de dienst van de profeet Nathan en noemde zijn naam Jedid-Jah, omwille van deHEERE .26 Joab nu streed tegen Rabba van de Ammonieten, en hij zou de koningsstad innemen.27 Toen stuurde Joab boden naar David, en zei: Ik heb gestreden tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.28 Verzamel dan nu de rest van het volk, beleger de stad en neem haar in, anders neem ík de stad in en wordt míjn naam over haar uitgeroepen.29 Toen verzamelde David al dat volk en trok naar Rabba; hij streed ertegen en nam het in.30 En hij nam de kroon van hun koning van diens hoofd, waarvan het gewicht, mét het edelgesteente, een talent goud was, en die werd op Davids hoofd gezet. Ook haalde hij een zeer grote buit uit de stad.31 Het volk dat daarin was, liet hij eruit halen en zette het bij zagen, bij ijzeren houwelen en bij ijzeren bijlen, en liet hen overbrengen naar de steenovens. Zo deed hij met alle steden van de Ammonieten. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem. Psalm 321 Een onderwijzing van David. Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is.2 Welzalig de mens wie deHEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.3 Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag.4 Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte.Sela5 Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor deHEERE . En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.Sela6 Daarom zal iedere heilige tot U bidden ten tijde dat U Zich laat vinden. Voorzeker, een overstroming van machtige wateren zal hem niet bereiken.7 U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid, U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.Sela8 Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan; ik geef raad, mijn oog is op u.9 Wees niet als een paard, als een muildier, dat geen verstand heeft. Zijn bek houdt men in toom met bit en toom; dan kan hij u niet te na komen.10 De goddeloze heeft veel smarten, maar wie op deHEERE vertrouwt, hem zal de goedertierenheid omringen.11 Verblijd u in deHEERE en verheug u, rechtvaardigen, zing vrolijk, alle oprechten van hart! Psalm 511 Een psalm van David, voor de koorleider;2 toen de profeet Nathan bij hem was gekomen, nadat hij bij Bathseba was gekomen.3 Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid, delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.4 Was mij schoon van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde.5 Want ík ken mijn overtredingen, mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.6 Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen, zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt en rein bent wanneer U oordeelt.7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.8 Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste, in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.9 Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn, was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; laat de beenderen zich verheugen die U verbrijzeld hebt.11 Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden; delg al mijn ongerechtigheden uit.12 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.13 Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.14 Geef mij de vreugde over Uw heil terug, ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.15 Dan zal ik overtreders Uw wegen leren en zondaars zullen zich tot U bekeren.16 Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil, dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid.17 Heere, open mijn lippen; dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.18 Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen.19 De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.20 Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.21 Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid, in een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt; dan zal men jonge stieren offeren op Uw altaar. | |








