1 Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.2 Ik zeg tegen deHEERE : Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God, op Wie ik vertrouw!3 Want Híj zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest.