Olifantgevecht
The scene connects strongly with the warfare described in 1 Maccabees, where armored elephants were used to intimidate and break opposing forces. In that account, the immense beasts represent the terrifying strength of earthly kingdoms, while the faithful resistance of God’s people shows courage under overwhelming pressure. This artwork suits teaching on ancient biblical history, the Maccabean period, spiritual courage, warfare imagery, and the cost of resisting oppression.
| Trefwoorden | ancient warfare Maccabees soldaten speer strijd war elephants |
|---|---|
| Secondary Keywords | aanval aanvallen ancient army boogschutters elephant charge infanterie intertestamental history john staal krijgers Maccabean history olifant schilden slagveld soldaat strijd |
| Tertiary Keywords | ancient kingdoms battle dust bestrijding van Bible history military history onderdrukking war platform weerstand |
| Schrift | 1 Chronicles 634 de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 34 met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draaibaar. 34 Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijanden, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot U, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb gebouwd, 34 Zij zeiden dan tegen Hem: Heere, geef ons altijd dat brood. 34 Toen bekleedde de Geest van deHEERE Gideon. Hij blies op de bazuin, en Abiëzer werd achter hem bijeengeroepen. 34 En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen. 34 En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen. 34 Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zichzelf zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. 34 want jaloersheid is de woede van een man en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak. 35 de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, 35 Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde. 35 luistert U dan vanuit de hemel naar hun gebed en naar hun smeekbede, en verschaf hun recht. 35 En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. 35 Ook stuurde hij boden door heel Manasse en ook dat werd achter hem bijeengeroepen. Eveneens stuurde hij boden naar Aser, Zebulon en Naftali, en zij trokken op, hun tegemoet. 35 Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten. 35 En toen het al laat geworden was, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat; 35 Hij zal geen enkel losgeld aannemen, en er niet in bewilligen, al vergroot men het geschenk. 36 de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja, 36 Daarna bouwde hij de binnenste voorhof van drie lagen gehouwen stenen en een laag balken van cederhout. 36 Wanneer zij tegen U hebben gezondigd – er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar een land, ver weg of dichtbij, 36 Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet. 36 En Gideon zei tegen God: Als U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt, 36 Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. 36 stuur hen weg, opdat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen kunnen gaan en broden voor zichzelf kopen, want zij hebben niets te eten. 37 de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, 37 In het vierde jaar werd de fundering van het huis van deHEERE gelegd, in de maand Ziv. 37 en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hun gevangenschap, door te zeggen: Wij hebben gezondigd, ons misdragen, en wij hebben goddeloos gehandeld, 37 Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen. 37 zie, ik ga een wollen vacht op de dorsvloer leggen. Als er alleen op de vacht dauw zal zijn en droogte op heel het land eromheen, dan zal ik weten dat U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt. 37 Oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; veroordeel niet en u zult niet veroordeeld worden; laat los en u zult losgelaten worden. 37 Maar Hij antwoordde hun en zei: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen brood gaan kopen en hun te eten geven? 38 de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, had hij de bouw van het huis voltooid, helemaal volgens de afspraken erover en helemaal volgens de bepaling daaromtrent. Dus bouwde hij het in zeven jaar. 38 en als zij zich in het land van hun gevangenschap, waarheen zij hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, en van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb, 38 Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij gezonden heeft. 38 En zo gebeurde het. De volgende dag stond hij vroeg op, wrong de vacht uit en perste de dauw uit de vacht: een schaal vol water. 38 Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven, want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden. 38 En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga eens kijken. En toen zij het te weten gekomen waren, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. 39 Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea, 39 luistert U dan uit de hemel, uit Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbeden en verschaf hun recht. Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden. 39 En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. 39 En Gideon zei tegen God: Laat Uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik alleen deze keer nog spreek. Laat mij toch nog eenmaal een proef met de vacht nemen: laat er alleen op de vacht droogte zijn en op heel het land eromheen dauw. 39 Hij sprak tot hen een gelijkenis: Een blinde kan toch niet een blinde op de weg geleiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen? 39 En Hij droeg hun op om allen in groepen te laten gaan zitten in het groene gras. 40 de zoon van Michaël, de zoon van Baëseja, de zoon van Malchia, 40 Nu, mijn God, laten toch Uw ogen open en Uw oren opmerkzaam zijn voor het gebed van deze plaats. 40 En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. 40 En God deed zo in diezelfde nacht, want de droogte was alleen op de vacht en op heel het land eromheen was dauw. 40 Een discipel staat niet boven zijn meester, maar iedere volmaakte discipel zal net als zijn meester zijn. 40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig. 41 de zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, 41 Welnu,HEERE God, sta op, trek naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters,HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat uit de hemel neergedaald is. 41 Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op? 41 En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel, zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij die aan hen zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen. 42 de zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, 42 HEERE God, wijs het gebed van Uw gezalfde niet af. Denk aan Uw blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar. 42 En zij zeiden: Is Hij niet Jezus, de zoon van Jozef, van wie wij de vader en moeder kennen? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald? 42 Of hoe kunt u tegen uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, eruit haal, terwijl u zelf de balk in uw oog niet ziet? Huichelaar, haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter, die in het oog van uw broeder is, eruit te halen. 42 En zij aten allen en werden verzadigd. 43 de zoon van Jahath, de zoon van Gersom, de zoon van Levi. 43 Jezus antwoordde dan en zei tegen hen: Mor niet onder elkaar. 43 Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt. 43 En zij raapten twaalf manden vol met stukken brood op, en wat over was van de vissen. 44 Hun broeders, de zonen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. 44 Want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Men plukt immers geen vijgen van dorens en men oogst geen druif van doornstruiken. 44 En die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen. 45 de zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia, 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God onderwezen zijn. Ieder dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 45 De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart, en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart, want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond. 45 En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hijzelf de menigte weg zou sturen. 46 de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 46 Niet dat iemand de Vader gezien heeft, behalve Hij Die van God is; Híj heeft de Vader gezien. 46 Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg? 46 En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden. |








