Een oudere Abraham en Sarah staan buiten voor een tent. Abraham houdt Isaac vast en glimlacht terwijl Sarah toekijkt. Op de achtergrond is een andere tent met mensen binnen, een paar geiten, en een man hoeden schapen.
1 DeHEERE nu zag om naar Sara zoals Hij gezegd had; deHEERE deed bij Sara zoals Hij gesproken had.2 Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, op de vastgestelde tijd die God hem genoemd had.3 Abraham gaf zijn zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, de naam Izak.4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, toen die acht dagen oud was, zoals God hem geboden had.5 Abraham was honderd jaar oud, toen zijn zoon Izak hem geboren werd.6 Sara zei: God heeft mij doen lachen; ieder die het hoort, zal met mij meelachen.7 Verder zei zij: Wie zou Abraham hebben durven zeggen: Sara heeft zonen de borst gegeven? Voorzeker, ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.