17 Toen stond Jakob op, zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen,18 voerde al zijn vee en al zijn bezittingen, die hij verworven had, mee – het vee dat hij bezat, dat hij in Paddan-Aram verworven had – om bij zijn vader Izak te komen, in het land Kanaän.19 Laban was op weg gegaan om zijn schapen te scheren; Rachel stal toen de afgodsbeeldjes die haar vader toebehoorden.20 Jakob bedroog Laban, de Syriër, door hem niet te vertellen dat hij vluchtte.21 Zo vluchtte hij, met alles wat van hem was. Hij stond op, stak de rivier over en ging in de richting van het bergland van Gilead.