30 En Jefta deed deHEERE een gelofte en zei: Als U de Ammonieten geheel in mijn hand zult geven,31 dan zal dat wat naar buiten komt en mij vanuit de deur van mijn huis tegemoetkomt, als ik in vrede terugkeer van de Ammonieten, voor deHEERE zijn, en ik zal het als brandoffer offeren.32 Zo trok Jefta op naar de Ammonieten om tegen hen te strijden, en deHEERE gaf hen in zijn hand.33 En hij versloeg hen vanaf Aroër tot waar u bij Minnith komt: twintig steden; en tot bij Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de Ammonieten vernederd van voor de ogen van de Israëlieten.34 Maar toen Jefta in Mizpa bij zijn huis aankwam, zie, toen kwam zijn dochter naar buiten, hem tegemoet, met tamboerijnen en in reidans. Nu was zij zijn enige kind; hij had verder geen zoon of dochter.