4 Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria. En Baruch schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van deHEERE die Hij tot hem gesproken had, op de boekrol.5 En Jeremia gebood Baruch: Ik word tegengehouden, ik kan niet in het huis van deHEERE komen.6 Daarom moet u zelf gaan en uit de rol voorlezen waarop u uit mijn mond de woorden van deHEERE hebt opgeschreven, ten aanhoren van het volk in het huis van deHEERE op de vastendag. U moet ze ook voorlezen ten aanhoren van alle Judeeërs die uit hun steden komen.7 Misschien zal hun smeekbede terechtkomen voor het aangezicht van deHEERE , en zullen zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg, want groot is de toorn en de grimmigheid die deHEERE tegen dit volk heeft uitgesproken.8 Baruch, de zoon van Neria, deed overeenkomstig alles wat de profeet Jeremia hem geboden had, door uit de boekrol de woorden van deHEERE voor te lezen in het huis van deHEERE .
Jeremiah 45
1 Het woord dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Neria, toen hij deze woorden uit de mond van Jeremia op een boekrol schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2 Zo zegt deHEERE , de God van Israël, tegen u, Baruch:3 U zegt: Wee mij toch, want deHEERE heeft aan mijn leed nog meer verdriet toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik vind geen rust.4 Dit moet u tegen hem zeggen: Zo zegt deHEERE : Zie, wat Ik gebouwd heb, ga Ik afbreken, en wat Ik geplant heb, ga Ik wegrukken, zelfs heel dit land.5 En zou ú voor uzelf grote dingen zoeken? Zoek ze niet, want zie, Ik ga onheil brengen over alle vlees, spreekt deHEERE . Maar u zal Ik uw leven ten buit geven in alle plaatsen waarheen u zult gaan.