12 In these days he went out to the mountain to pray, and all night he continued in prayer to God.13 And when day came, he called his disciples and chose from them twelve, whom he named apostles:14 Simon, whom he named Peter, and Andrew his brother, and James and John, and Philip, and Bartholomew,15 and Matthew, and Thomas, and James the son of Alphaeus, and Simon who was called the Zealot,16 and Judas the son of James, and Judas Iscariot, who became a traitor.
Mark 3
13 En Hij klom de berg op en riep bij Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe.14 En Hij stelde er twaalf aan om bij Hem te zijn, en om hen uit te zenden om te prediken,15 en macht te hebben om de ziekten te genezen en de demonen uit te drijven.16 En Simon gaf Hij de naam Petrus,17 en verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent –18 en Andreas en Filippus en Bartholomeüs en Mattheüs en Thomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs en Simon Kananites,19 en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Matthew 10
1 En Hij riep Zijn twaalf discipelen bij Zich en gaf hun macht over de onreine geesten om die uit te drijven, en om iedere ziekte en elke kwaal te genezen.2 De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon die Petrus genoemd werd, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer;3 Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, die ook Thaddeüs genoemd werd;4 Simon Kananites en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.