Nederlands
  •  Afrikaans
  •  Bahasa Indonesia
  •  Bahasa Melayu
  •  Česky
  •  Deutsch
  •  English
  •  Español
  •  Français
  •  Italiano
  •  Magyar
  •  Polski
  •  Português
  •  Română
  •  Shqip
  •  Tagalog
  •  Tiếng Việt
  •  Türkçe
  •  Ελληνικά
  •  Български
  •  русский
  •  Српски / Srpski
  •  Українська
  •  עברית
  •  العربية
  •  فارسی
  •  हिन्दी
  •  ไทย
  •  中文
  •  日本語
  •  粵語
  •  한국어
Valuta EUR
  • BRL - Braziliaanse real
  • USD - Amerikaanse dollar
  • CAD - Canadese dollar
  • MXN - Mexicaanse peso
  • RUB - Russische roebel
  • RON - Roemeense leu
  • PLN - Poolse zloty
  • SGD - Singaporese dollar
  • CHF - Zwitserse frank
  • TRY - Turkse lira
  • UAH - Oekraïense hryvnia
  • GBP - Brits pond
  • JPY - Japanse yen
  • AUD - Australische dollar
  • BGN - Bulgaarse lev
  • CZK - Tsjechische kroon
  • DKK - Deense kroon
  • HKD - Hongkongse dollar
  • IDR - Indonesische roepia
  • HUF - Hongaarse forint
  • KRW - Zuid-Koreaanse won
  • MYR - Maleisische ringgit
  • VND - Vietnamese dong
  • CNY - Chinese yuan
  • ARS - Argentijnse peso
  • ZAR - Zuid-Afrikaanse rand
  • ALL - Albanese lek
  • PHP - Filipijnse peso
  • RSD - Servische dinar
  • ILS - Israëlische nieuwe shekel
  • EGP - Egyptisch pond
  • SAR - Saoedi-Arabische riyal
  • AED - Verenigde Arabische Emiraten-dirham
  • IRR - Iraanse rial
  • AFN - Afghaanse afghani
  • IQD - Iraakse dinar
  • INR - Indiase roepie
  • PKR - Pakistaanse roepie
  • THB - Thaise baht
GoodSalt™
Zoek op
Account
Winkelwagen
  • Account
  • Lichtbak
  • Inloggen
  • Aanmelden
GoodSalt™
De wereldleider in religieuze beelden.
Valuta EUR
  • BRL - Braziliaanse real
  • USD - Amerikaanse dollar
  • CAD - Canadese dollar
  • MXN - Mexicaanse peso
  • RUB - Russische roebel
  • RON - Roemeense leu
  • PLN - Poolse zloty
  • SGD - Singaporese dollar
  • CHF - Zwitserse frank
  • TRY - Turkse lira
  • UAH - Oekraïense hryvnia
  • GBP - Brits pond
  • JPY - Japanse yen
  • AUD - Australische dollar
  • BGN - Bulgaarse lev
  • CZK - Tsjechische kroon
  • DKK - Deense kroon
  • HKD - Hongkongse dollar
  • IDR - Indonesische roepia
  • HUF - Hongaarse forint
  • KRW - Zuid-Koreaanse won
  • MYR - Maleisische ringgit
  • VND - Vietnamese dong
  • CNY - Chinese yuan
  • ARS - Argentijnse peso
  • ZAR - Zuid-Afrikaanse rand
  • ALL - Albanese lek
  • PHP - Filipijnse peso
  • RSD - Servische dinar
  • ILS - Israëlische nieuwe shekel
  • EGP - Egyptisch pond
  • SAR - Saoedi-Arabische riyal
  • AED - Verenigde Arabische Emiraten-dirham
  • IRR - Iraanse rial
  • AFN - Afghaanse afghani
  • IQD - Iraakse dinar
  • INR - Indiase roepie
  • PKR - Pakistaanse roepie
  • THB - Thaise baht
  Nederlands
  •  Afrikaans
  •  Bahasa Indonesia
  •  Bahasa Melayu
  •  Česky
  •  Deutsch
  •  English
  •  Español
  •  Français
  •  Italiano
  •  Magyar
  •  Polski
  •  Português
  •  Română
  •  Shqip
  •  Tagalog
  •  Tiếng Việt
  •  Türkçe
  •  Ελληνικά
  •  Български
  •  русский
  •  Српски / Srpski
  •  Українська
  •  עברית
  •  العربية
  •  فارسی
  •  हिन्दी
  •  ไทย
  •  中文
  •  日本語
  •  粵語
  •  한국어
Zoek op
Ga naar het einde van de afbeeldingen-gallerij
Jezus in het proces
Ga naar het begin van de afbeeldingen-gallerij

Jezus in het proces

Product
Afbeelding ID
lwjas0095
Beschrijving
Jezus stond voor de hoofdpriester en schriftgeleerden in de tempel.
Kunstenaar
Lars Justinen
Afbeelding Details
Meer informatie
Trefwoorden                     arrestatie   belachelijk maken   beschimpen   bespotten   farizeeërs   hoog   onderzoek   ouderling   priester   raad   rechter   Romeins   Sanhedrin   schriftgeleerden   spottende   veroordelen   vervolging  
Secondary Keywordspijn   smart   verdriet  
Tertiary Keywords       dood   doodsangst   lijden   soldaat   tempel   verdriet   verraad   verraden   voor  
SchriftLucas 23   Marcus 14   Marcus 15   Matteüs 26   Matteüs 27  

Luke 23

1 En de hele menigte van hen stond op en leidde Hem naar Pilatus.2 En zij begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben ontdekt dat Deze het volk afvallig maakt, en dat Hij verbiedt belasting te betalen aan de keizer en dat Hij van Zichzelf zegt dat Hij Christus, de Koning, is.3 Toen vroeg Pilatus Hem: U bent de Koning van de Joden? Hij nu antwoordde hem en zei: U zegt het.4 Pilatus zei tegen de overpriesters en de menigten: Ik vind geen schuld in deze Mens.5 Maar zij drongen des te sterker aan en zeiden: Hij hitst het volk op door in heel Judea onderwijs te geven, van toen Hij begon in Galilea tot hiertoe.6 Toen Pilatus nu van Galilea hoorde, vroeg hij of die Mens een Galileeër was.7 En toen hij te weten kwam dat Hij uit het machtsgebied van Herodes afkomstig was, stuurde hij Hem naar Herodes toe, die zelf ook in die dagen in Jeruzalem was.8 En toen Herodes Jezus zag, werd hij erg blij, want hij had al lange tijd gewenst Hem te zien, omdat hij veel over Hem gehoord had; en hij hoopte een of ander teken te zien dat door Hem gedaan zou worden.9 En hij ondervroeg Hem met veel woorden, maar Hij antwoordde hem niets.10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen.11 En toen Herodes, samen met zijn soldaten, Hem gehoond en bespot had, deed hij Hem een sierlijk gewaad om en stuurde Hem terug naar Pilatus.12 En op diezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden van elkaar; voor die tijd leefden zij namelijk in vijandschap met elkaar.13 Nadat Pilatus de overpriesters en de leiders en het volk bijeengeroepen had, zei hij tegen hen:14 U hebt deze Mens naar mij toe gebracht als Iemand Die het volk afvallig maakt. En zie, ik heb Hem in uw aanwezigheid ondervraagd, maar ik heb in deze Mens niets gevonden dat Hem schuldig maakt aan die dingen waarvan u Hem beschuldigt.15 Ja, ook Herodes niet, want ik heb u naar hem toe gestuurd en zie, er is door Hem niets gedaan wat de dood verdient.16 Ik zal Hem dan straffen en loslaten.17 Hij was immers verplicht op het feest voor hen iemand los te laten.18 Maar de hele menigte schreeuwde als één man: Weg met Deze, en laat voor ons Barabbas los.19 Dat was iemand die om een of ander oproer dat in de stad plaatsgevonden had, en om een moord in de gevangenis geworpen was.20 Pilatus dan sprak hen opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde loslaten.21 Maar zij riepen terug: Kruisig Hem, kruisig Hem.22 Hij zei echter voor de derde keer tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden wat de dood verdient. Ik zal Hem dan straffen en loslaten.23 Maar zij drongen met luid geroep aan en eisten dat Hij gekruisigd zou worden. En hun geroep en dat van de overpriesters kreeg de overhand.24 En Pilatus besliste dat hun eis zou worden ingewilligd.25 En hij liet hun de man los die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, om wie zij gevraagd hadden. Maar Jezus leverde hij over aan hun wil.26 En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere Simon van Cyrene, die van de akker kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen.27 En een grote menigte van volk volgde Hem; ook een menigte van vrouwen, die zich op de borst sloegen en Hem beklaagden.28 En Jezus keerde Zich naar hen om en zei: Dochters van Jeruzalem, huil niet over Mij, maar huil over uzelf en over uw kinderen,29 want zie, er komen dagen waarin men zal zeggen: Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben.30 Dan zullen zij beginnen te zeggen tegen de bergen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons.31 Want als zij dit doen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre gebeuren?32 En er werden ook twee anderen weggeleid, misdadigers, om met Hem ter dood gebracht te worden.33 Toen zij op de plaats kwamen die Schedel genoemd werd, kruisigden ze Hem daar, met de misdadigers, de één aan de rechter- en de ander aan de linkerzijde.34 En Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En ze verdeelden Zijn kleren en wierpen het lot.35 En het volk stond toe te kijken. En met hen beschimpten ook hun leiders Hem. Zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij nu Zichzelf verlossen als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God.36 En ook de soldaten kwamen Hem bespotten en brachten Hem zure wijn.37 En zij zeiden: Als U de Koning van de Joden bent, verlos dan Uzelf.38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: .39 En een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem en zei: Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons.40 Maar de andere antwoordde en bestrafte hem: Vreest zelfs u God niet, nu u hetzelfde vonnis ondergaat?41 En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.42 En hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent.43 En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn.44 En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over heel de aarde tot het negende uur toe.45 En de zon werd verduisterd en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.46 En Jezus riep met luide stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.47 Toen de hoofdman over honderd zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig.48 En al de menigten die samengekomen waren om dit te zien, zagen wat er gebeurd was en keerden terug, terwijl ze zich op de borst sloegen.49 En al Zijn bekenden stonden op een afstand, ook de vrouwen die Hem samen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.50 En zie, daar was een man van wie de naam Jozef was, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man.51 Deze had niet ingestemd met hun voornemen en handelwijze. Hij kwam uit Arimathea, een stad van de Joden, en verwachtte ook zelf het Koninkrijk van God.52 Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.53 En toen hij het van het kruis afgenomen had, wikkelde hij het in fijn linnen en legde het in een graf dat in een rots uitgehouwen was, waarin nog nooit iemand gelegd was.54 En het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan.55 En ook de vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, volgden en zagen het graf en hoe Zijn lichaam erin gelegd werd.56 En toen zij teruggekeerd waren, maakten zij specerijen en mirre gereed. En op de sabbat rustten ze overeenkomstig het gebod.

Mark 14

1 En na twee dagen was het Pascha en het Feest van de ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem door een list te grijpen en te doden.2 Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er niet misschien opschudding onder het volk ontstaat.3 En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er, toen Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met zuivere, kostbare narduszalf en nadat zij de albasten fles gebroken had, goot zij hem uit op Zijn hoofd.4 En er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf?5 Want die had voor meer dan driehonderd penningen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden; en zij vielen scherp tegen haar uit.6 Maar Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.7 Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen, maar Mij hebt u niet altijd.8 Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.9 Voorwaar, Ik zeg u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.10 En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.11 En toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden zij hem geld te geven. En hij zocht naar een geschikte manier om Hem over te leveren.12 En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer ze het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en voorbereidingen treffen, zodat U het Pascha kunt eten?13 En Hij stuurde twee van Zijn discipelen eropuit en zei tegen hen: Ga de stad in en iemand zal u tegemoetkomen die een kruik water draagt; volg hem,14 en waar hij ook naar binnen gaat, zeg daar tegen de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, volledig ingericht en klaar; maak het daar voor ons gereed.16 En Zijn discipelen vertrokken en kwamen in de stad en zij vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf.18 En toen zij aanlagen en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u, die met Mij eet, Mij verraden zal.19 En zij begonnen bedroefd te worden en de een na de ander tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet? En weer een ander: Ik ben het toch niet?20 Maar Hij antwoordde hun: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel indoopt.21 De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn, als hij niet geboren was.22 En terwijl zij aten, nam Jezus brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.23 En Hij nam de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zij dronken er allen uit.24 En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe testament, dat voor velen vergoten wordt.25 Voorwaar, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God.26 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.27 En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden.28 Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.29 En Petrus zei tegen Hem: Ook al zullen allen aanstoot aan U nemen, ik echter niet.30 En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u vandaag, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.31 Maar hij zei nog krachtiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! En evenzo spraken zij ook allen.32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;34 en Hij zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.35 En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.37 En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken?38 Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.39 En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden.40 En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.41 En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.42 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.43 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.44 En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg.45 En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en hij kuste Hem.46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.47 Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen?49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden.50 En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen.51 En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem,52 maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.53 En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen.54 En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur.55 En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet.56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend.57 Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden:58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.59 En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend.60 En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?61 Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.63 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig?64 U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende.65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht.66 En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester;67 en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener.68 Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide.69 En toen het dienstmeisje hem opnieuw zag, begon zij te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen.70 Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden, opnieuw tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want u bent ook een Galileeër en uw spraak vertoont overeenkomst.71 En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet over Wie u spreekt.72 En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had: Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En toen dat tot hem doordrong, begon hij te huilen.

Mark 15

1 En meteen, 's morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en heel de Raad, en nadat zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden zij Hem over aan Pilatus.2 En Pilatus vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het.3 En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets.4 En Pilatus stelde Hem opnieuw een vraag en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zij tegen U getuigen!5 Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.6 Nu liet hij op een feest één gevangene voor hen los, wie zij maar wensten.7 En er was er een, die Barabbas heette, die gevangenzat met medeoproermakers die in het oproer een moord begaan hadden.8 En de menigte schreeuwde en begon te eisen dat hij zou doen zoals hij altijd voor hen gedaan had.9 En Pilatus antwoordde hun: Wilt u dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?10 Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.11 Maar de overpriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen zou loslaten.12 En Pilatus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Wat wilt u dan dat ik met Hem doen zal Die u de Koning van de Joden noemt?13 En zij riepen opnieuw: Kruisig Hem!14 Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen nog harder: Kruisig Hem!15 Pilatus nu wilde de menigte tevredenstellen en liet Barabbas voor hen los; en hij leverde Jezus, nadat hij Hem gegeseld had, over om gekruisigd te worden.16 En de soldaten leidden Hem het paleis binnen, dat is het gerechtsgebouw, en riepen heel de legerafdeling bijeen.17 En zij deden Hem een purperen mantel om, en nadat zij een doornenkroon gevlochten hadden, zetten zij Hem die op18 en begonnen Hem te begroeten: Gegroet, Koning van de Joden!19 En zij sloegen op Zijn hoofd met een rietstok en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en aanbaden Hem.20 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de purperen mantel uit en trokken Hem Zijn eigen kleren aan en leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen.21 En zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.22 En zij brachten Hem naar de plaats Golgotha, dat is vertaald: Schedelplaats.23 En zij gaven Hem met mirre gemengde wijn te drinken, maar Hij nam die niet.24 En toen zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren: door het lot te werpen bepaalden zij wat ieder ervan nemen zou.25 En het was het derde uur en zij kruisigden Hem.26 En het opschrift met Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: .27 En zij kruisigden met Hem twee misdadigers, een aan Zijn rechter- en een aan Zijn linkerzijde.28 En het Schriftwoord is in vervulling gegaan dat zegt: En Hij is onder de misdadigers gerekend.29 En de voorbijgangers lasterden Hem en schudden hun hoofd en zeiden: Ha! U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,30 verlos Uzelf en kom van het kruis af!31 En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden, onder elkaar en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.32 Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij het zien en gaan geloven. Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.33 En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe.34 En op het negende uur riep Jezus met luide stem: , dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?35 En sommigen van hen die daarbij stonden en dit hoorden, zeiden: Zie, Hij roept Elia.36 En er snelde iemand toe, vulde een spons met zure wijn, stak die op een rietstok en gaf Hem te drinken, en hij zei: Houd op, laten wij zien of Elia komt om Hem er af te nemen.37 En roepend met luide stem gaf Jezus de geest.38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden.39 En de hoofdman over honderd die daarbij stond, tegenover Hem, en zag dat Hij zo roepend de geest gegeven had, zei: Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!40 En er waren daar ook vrouwen, die uit de verte toekeken; onder hen waren ook Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salome,41 die, ook toen Hij in Galilea was, Hem gevolgd waren en gediend hadden, en veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem opgegaan waren.42 En toen het al avond geworden was, en omdat het de voorbereiding op het Pascha was, dat is de voorsabbat,43 kwam Jozef van Arimathea, een aanzienlijk raadsheer, die zelf ook het Koninkrijk van God verwachtte, en waagde het om bij Pilatus naar binnen te gaan en om het lichaam van Jezus te vragen.44 En Pilatus verwonderde zich erover dat Hij al gestorven was; en nadat hij de hoofdman over honderd bij zich geroepen had, vroeg hij hem of Hij allang gestorven was.45 En toen hij het van de hoofdman over honderd vernomen had, schonk hij Jozef het lichaam.46 En deze kocht fijn linnen en nadat hij Hem van het kruis afgenomen had, wikkelde hij Hem in dat fijne linnen en legde Hem in een graf dat in een rots uitgehakt was; en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf.47 En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Hij gelegd werd.

Matthew 26

1 En toen Jezus al deze woorden geëindigd had, gebeurde het dat Hij tegen Zijn discipelen zei:2 U weet dat over twee dagen het Pascha is, en dan zal de Zoon des mensen overgeleverd worden om gekruisigd te worden.3 Toen kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette;4 en zij overlegden met elkaar om Jezus met list te grijpen en te doden.5 Zij zeiden echter: Niet tijdens het feest, opdat er geen opschudding onder het volk komt.6 Toen Jezus in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,7 kwam er een vrouw naar Hem toe die een albasten fles met zeer kostbare zalf had; en zij goot die uit op Zijn hoofd terwijl Hij aanlag.8 Toen Zijn discipelen dat zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe deze verkwisting?9 Deze zalf had immers duur verkocht kunnen worden en de opbrengst aan de armen gegeven.10 Maar Jezus, Die dit merkte, zei tegen hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij verricht.11 De armen hebt u immers altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.12 Want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.13 Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.14 Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de overpriesters15 en zei: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? En zij kenden hem dertig zilverstukken toe.16 En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.17 Op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen naar Jezus toe en zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij voorbereidingen voor U treffen om het Pascha te eten?18 Hij zei: Ga de stad in naar een zeker persoon en zeg tegen hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen.19 En de discipelen deden zoals Jezus hun opgedragen had, en maakten het Pascha gereed.20 Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf.21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.22 En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere?23 Hij antwoordde en zei: Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.24 De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was.25 Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U hebt het gezegd.26 En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.27 Hij nam ook de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die, en zei: Drink allen daaruit,28 want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.29 Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.30 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.31 Toen zei Jezus tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden.32 Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.33 Maar Petrus antwoordde Hem en zei: Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen.34 Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.35 Petrus zei tegen Hem: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! Hetzelfde zeiden ook al de discipelen.36 Toen ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsémané heette, en zei tegen de discipelen: Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met Zich mee en begon bedroefd en zeer angstig te worden.38 Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.39 En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.40 En Hij kwam bij de discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Kon u dan niet één uur met Mij waken?41 Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.42 Opnieuw, voor de tweede keer, ging Hij heen en bad: Mijn Vader, als deze drinkbeker aan Mij niet voorbij kan gaan zonder dat Ik hem drink, laat Uw wil dan geschieden.43 En toen Hij bij hen kwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden.44 En Hij liet hen achter, ging nogmaals heen en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.45 Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; zie, het uur is nabijgekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van zondaars.46 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.47 En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk.48 Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem.49 En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij kuste Hem.50 Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.51 En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.52 Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.53 Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen?54 Hoe zouden anders de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?55 Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen,56 maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden. Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten.57 Zij die Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.58 Petrus volgde Hem op een afstand, tot aan het paleis van de hogepriester, en toen hij naar binnen gegaan was, zat hij bij de dienaars om het einde te zien.59 De overpriesters en de oudsten en heel de Raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat zij Hem zouden kunnen doden, maar zij vonden niets.60 En hoewel er veel valse getuigen gekomen waren, vonden zij niets.61 Maar ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen.62 En de hogepriester stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?63 Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.64 Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.66 Wat denkt u? En zij antwoordden en zeiden: Hij is schuldig en verdient de dood.67 Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten.68 En anderen sloegen Hem in het gezicht en zeiden: Profeteer ons, Christus: wie is het die U geslagen heeft?69 Petrus zat buiten op de binnenplaats; een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was bij Jezus, de Galileeër.70 Maar hij ontkende het in het bijzijn van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.71 Toen hij naar buiten ging, naar de poort, zag een ander dienstmeisje hem, en die zei tegen hen die daar waren: Hij was ook bij Jezus de Nazarener.72 En hij ontkende het opnieuw, met een eed, en zei: Ik ken de Mens niet.73 Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet.75 En meteen kraaide de haan; en Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die tegen hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Toen ging hij naar buiten en huilde bitter.

Matthew 27

1 Toen het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamenlijk tot het besluit Hem te doden.2 En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder.3 Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en de oudsten terug4 en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien.5 En nadat hij de zilverstukken de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.6 De overpriesters pakten de zilverstukken en zeiden: Het is niet geoorloofd die in de offerkist te leggen, omdat het bloedgeld is.7 En nadat zij beraadslaagd hadden, kochten zij daarvan de akker van de pottenbakker als begraafplaats voor de vreemdelingen.8 Daarom wordt die akker tot op de dag van vandaag bloedakker genoemd.9 Toen is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia: En zij hebben de dertig zilverstukken genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten,10 en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.11 Jezus stond voor de stadhouder en de stadhouder vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? Jezus zei tegen hem: U zegt het.12 En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.13 Toen zei Pilatus tegen Hem: Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?14 Maar Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.15 Nu had de stadhouder de gewoonte, op het feest voor de menigte een gevangene los te laten, wie zij ook maar wilden.16 Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Barabbas heette.17 Toen zij dan bijeenwaren, zei Pilatus tegen hen: Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, Barabbas of Jezus, Die Christus genoemd wordt?18 Want hij wist dat zij Hem uit afgunst overgeleverd hadden.19 Toen hij op de rechterstoel zat, stuurde zijn vrouw hem een boodschap: Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.20 Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over dat zij om Barabbas zouden vragen en Jezus zouden ombrengen.21 De stadhouder antwoordde hun en zei: Wie van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten? Zij zeiden: Barabbas.22 Pilatus zei tegen hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen tegen hem: Laat Hem gekruisigd worden!23 Maar de stadhouder zei: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij riepen des te meer: Laat Hem gekruisigd worden!24 Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.25 En heel het volk antwoordde en zei: Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!26 Toen liet hij Barabbas voor hen los, maar nadat hij Jezus gegeseld had, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.27 Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich mee in het gerechtsgebouw en verzamelden heel de legerafdeling om Hem heen.28 En toen zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een scharlakenrode mantel om,29 vlochten een kroon van dorens, zetten die op Zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in Zijn rechterhand. Zij vielen op hun knieën voor Hem neer en bespotten Hem met de woorden: Gegroet, Koning van de Joden!30 Ook bespuwden zij Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op Zijn hoofd.31 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit, trokken Hem Zijn kleren aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.32 Toen zij op weg gingen, troffen zij een man uit Cyrene aan, van wie de naam Simon was; die dwongen zij om Zijn kruis te dragen.33 En gekomen bij de plaats die Golgotha genoemd wordt, wat Schedelplaats betekent,34 gaven zij Hem wijn vermengd met gal te drinken; maar toen Hij die geproefd had, wilde Hij niet drinken.35 Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren door het lot te werpen, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet: Ze hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en om Mijn kleding hebben ze het lot geworpen.36 En zij gingen zitten om Hem daar te bewaken.37 En zij brachten boven Zijn hoofd een opschrift aan met de beschuldiging tegen Hem: .38 Toen werden met Hem twee misdadigers gekruisigd, een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linkerzijde.39 En de voorbijgangers lasterden Hem, schudden hun hoofd,40 en zeiden: U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af!41 En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën, en zij zeiden:42 Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen Hem geloven.43 Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.44 Hetzelfde verweten Hem ook de misdadigers die met Hem gekruisigd waren.45 En vanaf het zesde uur kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe.46 Ongeveer op het negende uur riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?47 Sommigen van hen die daar stonden, zeiden, toen zij dit hoorden: Hij roept Elia.48 En meteen snelde een van hen toe, nam een spons, doordrenkte die met zure wijn, stak hem op een rietstok en gaf Hem te drinken.49 Maar de anderen zeiden: Houd op, laten wij zien of Elia komt om Hem te verlossen.50 Jezus riep nogmaals met luide stem en gaf de geest.51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beefde en de rotsen scheurden;52 ook werden de graven geopend en veel lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;53 en na Zijn opwekking gingen zij uit de graven, kwamen in de heilige stad en zijn aan velen verschenen.54 En toen de hoofdman over honderd en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurden, werden zij erg bevreesd en zeiden: Werkelijk, Dit was Gods Zoon!55 En er waren daar veel vrouwen, die uit de verte toekeken; zij waren Jezus gevolgd van Galilea om Hem te dienen.56 Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.57 Toen het avond geworden was, kwam er een rijke man van Arimathea, van wie de naam Jozef was en die ook zelf een discipel van Jezus was.58 Die ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Toen gaf Pilatus bevel dat het lichaam aan hem gegeven zou worden.59 En Jozef nam het lichaam in ontvangst, wikkelde het in zuiver fijn linnen,60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots uitgehakt had; en nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld had, ging hij weg.61 En daar waren Maria Magdalena en de andere Maria, die tegenover het graf zaten.62 De volgende dag, dat is de dag na de voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën bij Pilatus bijeen,63 en zeiden: Heer, wij herinneren ons dat deze verleider gezegd heeft toen Hij nog leefde: Na drie dagen zal Ik opgewekt worden.64 Geef dan bevel dat het graf tot de derde dag toe beveiligd wordt, opdat Zijn discipelen Hem 's nachts misschien niet komen stelen en tegen het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden. En dan zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.65 Pilatus zei tegen hen: Hier hebt u een wacht; ga heen, beveilig het naar uw beste weten.66 Zij gingen erheen en beveiligden het graf met de wacht, nadat zij de steen verzegeld hadden.

Maximale bestandsgrootte
Breedte
6600
Hoogte
3664
€ 3,42
Special Galleries
Good Soil Print Gallery
GoodSalt Gallery
Nature Photography Gallery
Steve Creitz Select
Seasonal
Harry Anderson Select

We bieden belangrijke kortingen voor volumelicenties.
Heb je vragen? Bel 800-805-8001 or +1 208-455-5659 en vraag om een offerte op maat. We werken met je budget.

Post To Feed Pin It
Lichtbak
Gerelateerde afbeeldingen
  1. Vernieling en Verdriet
  2. Hemelse Priester
  3. Verdriet van werk
  4. Jacobs verdriet
  5. De Romeinse vernietiging van Jeruzalem
  6. Nehemia - verdriet
  7. Judas kust Jezus voordat hij gearresteerd wordt in de tuin van Gethsemane verraad
  8. Sanctuary - wasbekken met hoge priester
  • Licentie-info
  • Privacy
  • Contact
  • Kunstenaars
1 800 805.8001
© 2024       Alle beelden en media auteursrechtelijk beschermd door GoodSalt, Inc en / of haar medewerkers. Alle rechten voorbehouden.
  Nederlands
  •  Afrikaans
  •  Bahasa Indonesia
  •  Bahasa Melayu
  •  Česky
  •  Deutsch
  •  English
  •  Español
  •  Français
  •  Italiano
  •  Magyar
  •  Polski
  •  Português
  •  Română
  •  Shqip
  •  Tagalog
  •  Tiếng Việt
  •  Türkçe
  •  Ελληνικά
  •  Български
  •  русский
  •  Српски / Srpski
  •  Українська
  •  עברית
  •  العربية
  •  فارسی
  •  हिन्दी
  •  ไทย
  •  中文
  •  日本語
  •  粵語
  •  한국어