Jezus in het proces
| Trefwoorden | arrestatie belachelijk maken beschimpen bespotten christus Emmanuel farizeeën heer hoog Immanuel Jezus messias oordeel ouderling oudsten priester proces raad rechter redder romeins Sanhedrin schriftgeleerden spottende veroordelen vervolging |
|---|---|
| Secondary Keywords | pijn smart verdriet |
| Tertiary Keywords | dood doodsangst lijden mensen persoon soldaat tempel verdriet verraad verraden voor |
| Schrift | Luke 231 En de hele menigte van hen stond op en leidde Hem naar Pilatus. 2 En zij begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben ontdekt dat Deze het volk afvallig maakt, en dat Hij verbiedt belasting te betalen aan de keizer en dat Hij van Zichzelf zegt dat Hij Christus, de Koning, is. 3 Toen vroeg Pilatus Hem: U bent de Koning van de Joden? Hij nu antwoordde hem en zei: U zegt het. 4 Pilatus zei tegen de overpriesters en de menigten: Ik vind geen schuld in deze Mens. 5 Maar zij drongen des te sterker aan en zeiden: Hij hitst het volk op door in heel Judea onderwijs te geven, van toen Hij begon in Galilea tot hiertoe. 6 Toen Pilatus nu van Galilea hoorde, vroeg hij of die Mens een Galileeër was. 7 En toen hij te weten kwam dat Hij uit het machtsgebied van Herodes afkomstig was, stuurde hij Hem naar Herodes toe, die zelf ook in die dagen in Jeruzalem was. 8 En toen Herodes Jezus zag, werd hij erg blij, want hij had al lange tijd gewenst Hem te zien, omdat hij veel over Hem gehoord had; en hij hoopte een of ander teken te zien dat door Hem gedaan zou worden. 9 En hij ondervroeg Hem met veel woorden, maar Hij antwoordde hem niets. 10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen. 11 En toen Herodes, samen met zijn soldaten, Hem gehoond en bespot had, deed hij Hem een sierlijk gewaad om en stuurde Hem terug naar Pilatus. 12 En op diezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden van elkaar; voor die tijd leefden zij namelijk in vijandschap met elkaar. 13 Nadat Pilatus de overpriesters en de leiders en het volk bijeengeroepen had, zei hij tegen hen: 14 U hebt deze Mens naar mij toe gebracht als Iemand Die het volk afvallig maakt. En zie, ik heb Hem in uw aanwezigheid ondervraagd, maar ik heb in deze Mens niets gevonden dat Hem schuldig maakt aan die dingen waarvan u Hem beschuldigt. 15 Ja, ook Herodes niet, want ik heb u naar hem toe gestuurd en zie, er is door Hem niets gedaan wat de dood verdient. 16 Ik zal Hem dan straffen en loslaten. 17 Hij was immers verplicht op het feest voor hen iemand los te laten. 18 Maar de hele menigte schreeuwde als één man: Weg met Deze, en laat voor ons Barabbas los. 19 Dat was iemand die om een of ander oproer dat in de stad plaatsgevonden had, en om een moord in de gevangenis geworpen was. 20 Pilatus dan sprak hen opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde loslaten. 21 Maar zij riepen terug: Kruisig Hem, kruisig Hem. 22 Hij zei echter voor de derde keer tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden wat de dood verdient. Ik zal Hem dan straffen en loslaten. 23 Maar zij drongen met luid geroep aan en eisten dat Hij gekruisigd zou worden. En hun geroep en dat van de overpriesters kreeg de overhand. 24 En Pilatus besliste dat hun eis zou worden ingewilligd. 25 En hij liet hun de man los die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, om wie zij gevraagd hadden. Maar Jezus leverde hij over aan hun wil. 26 En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere Simon van Cyrene, die van de akker kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen. 27 En een grote menigte van volk volgde Hem; ook een menigte van vrouwen, die zich op de borst sloegen en Hem beklaagden. 28 En Jezus keerde Zich naar hen om en zei: Dochters van Jeruzalem, huil niet over Mij, maar huil over uzelf en over uw kinderen, 29 want zie, er komen dagen waarin men zal zeggen: Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. 30 Dan zullen zij beginnen te zeggen tegen de bergen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons. 31 Want als zij dit doen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre gebeuren? 32 En er werden ook twee anderen weggeleid, misdadigers, om met Hem ter dood gebracht te worden. 33 Toen zij op de plaats kwamen die Schedel genoemd werd, kruisigden ze Hem daar, met de misdadigers, de één aan de rechter- en de ander aan de linkerzijde. 34 En Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En ze verdeelden Zijn kleren en wierpen het lot. 35 En het volk stond toe te kijken. En met hen beschimpten ook hun leiders Hem. Zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij nu Zichzelf verlossen als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God. 36 En ook de soldaten kwamen Hem bespotten en brachten Hem zure wijn. 37 En zij zeiden: Als U de Koning van de Joden bent, verlos dan Uzelf. 38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: . 39 En een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem en zei: Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons. 40 Maar de andere antwoordde en bestrafte hem: Vreest zelfs u God niet, nu u hetzelfde vonnis ondergaat? 41 En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent. 43 En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn. 44 En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over heel de aarde tot het negende uur toe. 45 En de zon werd verduisterd en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. 46 En Jezus riep met luide stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. 47 Toen de hoofdman over honderd zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig. 48 En al de menigten die samengekomen waren om dit te zien, zagen wat er gebeurd was en keerden terug, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49 En al Zijn bekenden stonden op een afstand, ook de vrouwen die Hem samen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan. 50 En zie, daar was een man van wie de naam Jozef was, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man. 51 Deze had niet ingestemd met hun voornemen en handelwijze. Hij kwam uit Arimathea, een stad van de Joden, en verwachtte ook zelf het Koninkrijk van God. 52 Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. 53 En toen hij het van het kruis afgenomen had, wikkelde hij het in fijn linnen en legde het in een graf dat in een rots uitgehouwen was, waarin nog nooit iemand gelegd was. 54 En het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan. 55 En ook de vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, volgden en zagen het graf en hoe Zijn lichaam erin gelegd werd. 56 En toen zij teruggekeerd waren, maakten zij specerijen en mirre gereed. En op de sabbat rustten ze overeenkomstig het gebod. Mark 141 En na twee dagen was het Pascha en het Feest van de ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem door een list te grijpen en te doden. 2 Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er niet misschien opschudding onder het volk ontstaat. 3 En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er, toen Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met zuivere, kostbare narduszalf en nadat zij de albasten fles gebroken had, goot zij hem uit op Zijn hoofd. 4 En er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf? 5 Want die had voor meer dan driehonderd penningen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden; en zij vielen scherp tegen haar uit. 6 Maar Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht. 7 Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen, maar Mij hebt u niet altijd. 8 Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis. 9 Voorwaar, Ik zeg u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren. 11 En toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden zij hem geld te geven. En hij zocht naar een geschikte manier om Hem over te leveren. 12 En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer ze het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en voorbereidingen treffen, zodat U het Pascha kunt eten? 13 En Hij stuurde twee van Zijn discipelen eropuit en zei tegen hen: Ga de stad in en iemand zal u tegemoetkomen die een kruik water draagt; volg hem, 14 en waar hij ook naar binnen gaat, zeg daar tegen de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal? 15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, volledig ingericht en klaar; maak het daar voor ons gereed. 16 En Zijn discipelen vertrokken en kwamen in de stad en zij vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed. 17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf. 18 En toen zij aanlagen en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u, die met Mij eet, Mij verraden zal. 19 En zij begonnen bedroefd te worden en de een na de ander tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet? En weer een ander: Ik ben het toch niet? 20 Maar Hij antwoordde hun: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel indoopt. 21 De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn, als hij niet geboren was. 22 En terwijl zij aten, nam Jezus brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam. 23 En Hij nam de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zij dronken er allen uit. 24 En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe testament, dat voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God. 26 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg. 27 En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden. 28 Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 29 En Petrus zei tegen Hem: Ook al zullen allen aanstoot aan U nemen, ik echter niet. 30 En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u vandaag, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. 31 Maar hij zei nog krachtiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! En evenzo spraken zij ook allen. 32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben. 33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden; 34 en Hij zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak. 35 En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan. 36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt. 37 En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken? 38 Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 39 En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden. 40 En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden. 41 En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. 42 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij. 43 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten. 44 En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg. 45 En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en hij kuste Hem. 46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem. 47 Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen? 49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden. 50 En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen. 51 En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem, 52 maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg. 53 En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen. 54 En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur. 55 En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet. 56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend. 57 Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden: 58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen. 59 En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend. 60 En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U? 61 Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende? 62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel. 63 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig? 64 U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende. 65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht. 66 En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester; 67 en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener. 68 Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide. 69 En toen het dienstmeisje hem opnieuw zag, begon zij te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen. 70 Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden, opnieuw tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want u bent ook een Galileeër en uw spraak vertoont overeenkomst. 71 En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet over Wie u spreekt. 72 En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had: Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En toen dat tot hem doordrong, begon hij te huilen. Mark 151 En meteen, 's morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en heel de Raad, en nadat zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden zij Hem over aan Pilatus. 2 En Pilatus vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het. 3 En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets. 4 En Pilatus stelde Hem opnieuw een vraag en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zij tegen U getuigen! 5 Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde. 6 Nu liet hij op een feest één gevangene voor hen los, wie zij maar wensten. 7 En er was er een, die Barabbas heette, die gevangenzat met medeoproermakers die in het oproer een moord begaan hadden. 8 En de menigte schreeuwde en begon te eisen dat hij zou doen zoals hij altijd voor hen gedaan had. 9 En Pilatus antwoordde hun: Wilt u dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat? 10 Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden. 11 Maar de overpriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen zou loslaten. 12 En Pilatus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Wat wilt u dan dat ik met Hem doen zal Die u de Koning van de Joden noemt? 13 En zij riepen opnieuw: Kruisig Hem! 14 Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen nog harder: Kruisig Hem! 15 Pilatus nu wilde de menigte tevredenstellen en liet Barabbas voor hen los; en hij leverde Jezus, nadat hij Hem gegeseld had, over om gekruisigd te worden. 16 En de soldaten leidden Hem het paleis binnen, dat is het gerechtsgebouw, en riepen heel de legerafdeling bijeen. 17 En zij deden Hem een purperen mantel om, en nadat zij een doornenkroon gevlochten hadden, zetten zij Hem die op 18 en begonnen Hem te begroeten: Gegroet, Koning van de Joden! 19 En zij sloegen op Zijn hoofd met een rietstok en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en aanbaden Hem. 20 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de purperen mantel uit en trokken Hem Zijn eigen kleren aan en leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen. 21 En zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg. 22 En zij brachten Hem naar de plaats Golgotha, dat is vertaald: Schedelplaats. 23 En zij gaven Hem met mirre gemengde wijn te drinken, maar Hij nam die niet. 24 En toen zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren: door het lot te werpen bepaalden zij wat ieder ervan nemen zou. 25 En het was het derde uur en zij kruisigden Hem. 26 En het opschrift met Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: . 27 En zij kruisigden met Hem twee misdadigers, een aan Zijn rechter- en een aan Zijn linkerzijde. 28 En het Schriftwoord is in vervulling gegaan dat zegt: En Hij is onder de misdadigers gerekend. 29 En de voorbijgangers lasterden Hem en schudden hun hoofd en zeiden: Ha! U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, 30 verlos Uzelf en kom van het kruis af! 31 En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden, onder elkaar en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. 32 Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij het zien en gaan geloven. Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem. 33 En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe. 34 En op het negende uur riep Jezus met luide stem: , dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? 35 En sommigen van hen die daarbij stonden en dit hoorden, zeiden: Zie, Hij roept Elia. 36 En er snelde iemand toe, vulde een spons met zure wijn, stak die op een rietstok en gaf Hem te drinken, en hij zei: Houd op, laten wij zien of Elia komt om Hem er af te nemen. 37 En roepend met luide stem gaf Jezus de geest. 38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden. 39 En de hoofdman over honderd die daarbij stond, tegenover Hem, en zag dat Hij zo roepend de geest gegeven had, zei: Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon! 40 En er waren daar ook vrouwen, die uit de verte toekeken; onder hen waren ook Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salome, 41 die, ook toen Hij in Galilea was, Hem gevolgd waren en gediend hadden, en veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem opgegaan waren. 42 En toen het al avond geworden was, en omdat het de voorbereiding op het Pascha was, dat is de voorsabbat, 43 kwam Jozef van Arimathea, een aanzienlijk raadsheer, die zelf ook het Koninkrijk van God verwachtte, en waagde het om bij Pilatus naar binnen te gaan en om het lichaam van Jezus te vragen. 44 En Pilatus verwonderde zich erover dat Hij al gestorven was; en nadat hij de hoofdman over honderd bij zich geroepen had, vroeg hij hem of Hij allang gestorven was. 45 En toen hij het van de hoofdman over honderd vernomen had, schonk hij Jozef het lichaam. 46 En deze kocht fijn linnen en nadat hij Hem van het kruis afgenomen had, wikkelde hij Hem in dat fijne linnen en legde Hem in een graf dat in een rots uitgehakt was; en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf. 47 En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Hij gelegd werd. Matthew 261 When Jesus had finished all these sayings, he said to his disciples, 2 “You know that after two days the Passover is coming, and the Son of Man will be delivered up to be crucified.” 3 Then the chief priests and the elders of the people gathered in the palace of the high priest, whose name was Caiaphas, 4 and plotted together in order to arrest Jesus by stealth and kill him. 5 But they said, “Not during the feast, lest there be an uproar among the people.” 6 Now when Jesus was at Bethany in the house of Simon the leper, 7 a woman came up to him with an alabaster flask of very expensive ointment, and she poured it on his head as he reclined at table. 8 And when the disciples saw it, they were indignant, saying, “Why this waste? 9 For this could have been sold for a large sum and given to the poor.” 10 But Jesus, aware of this, said to them, “Why do you trouble the woman? For she has done a beautiful thing to me. 11 For you always have the poor with you, but you will not always have me. 12 In pouring this ointment on my body, she has done it to prepare me for burial. 13 Truly, I say to you, wherever this gospel is proclaimed in the whole world, what she has done will also be told in memory of her.” 14 Then one of the twelve, whose name was Judas Iscariot, went to the chief priests 15 and said, “What will you give me if I deliver him over to you?” And they paid him thirty pieces of silver. 16 And from that moment he sought an opportunity to betray him. 17 Now on the first day of Unleavened Bread the disciples came to Jesus, saying, “Where will you have us prepare for you to eat the Passover?” 18 He said, “Go into the city to a certain man and say to him, ‘The Teacher says, My time is at hand. I will keep the Passover at your house with my disciples.’” 19 And the disciples did as Jesus had directed them, and they prepared the Passover. 20 When it was evening, he reclined at table with the twelve. 21 And as they were eating, he said, “Truly, I say to you, one of you will betray me.” 22 And they were very sorrowful and began to say to him one after another, “Is it I, Lord?” 23 He answered, “He who has dipped his hand in the dish with me will betray me. 24 The Son of Man goes as it is written of him, but woe to that man by whom the Son of Man is betrayed! It would have been better for that man if he had not been born.” 25 Judas, who would betray him, answered, “Is it I, Rabbi?” He said to him, “You have said so.” 26 Now as they were eating, Jesus took bread, and after blessing it broke it and gave it to the disciples, and said, “Take, eat; this is my body.” 27 And he took a cup, and when he had given thanks he gave it to them, saying, “Drink of it, all of you, 28 for this is my blood of the covenant, which is poured out for many for the forgiveness of sins. 29 I tell you I will not drink again of this fruit of the vine until that day when I drink it new with you in my Father's kingdom.” 30 And when they had sung a hymn, they went out to the Mount of Olives. 31 Then Jesus said to them, “You will all fall away because of me this night. For it is written, ‘I will strike the shepherd, and the sheep of the flock will be scattered.’ 32 But after I am raised up, I will go before you to Galilee.” 33 Peter answered him, “Though they all fall away because of you, I will never fall away.” 34 Jesus said to him, “Truly, I tell you, this very night, before the rooster crows, you will deny me three times.” 35 Peter said to him, “Even if I must die with you, I will not deny you!” And all the disciples said the same. 36 Then Jesus went with them to a place called Gethsemane, and he said to his disciples, “Sit here, while I go over there and pray.” 37 And taking with him Peter and the two sons of Zebedee, he began to be sorrowful and troubled. 38 Then he said to them, “My soul is very sorrowful, even to death; remain here, and watch with me.” 39 And going a little farther he fell on his face and prayed, saying, “My Father, if it be possible, let this cup pass from me; nevertheless, not as I will, but as you will.” 40 And he came to the disciples and found them sleeping. And he said to Peter, “So, could you not watch with me one hour? 41 Watch and pray that you may not enter into temptation. The spirit indeed is willing, but the flesh is weak.” 42 Again, for the second time, he went away and prayed, “My Father, if this cannot pass unless I drink it, your will be done.” 43 And again he came and found them sleeping, for their eyes were heavy. 44 So, leaving them again, he went away and prayed for the third time, saying the same words again. 45 Then he came to the disciples and said to them, “Sleep and take your rest later on. See, the hour is at hand, and the Son of Man is betrayed into the hands of sinners. 46 Rise, let us be going; see, my betrayer is at hand.” 47 While he was still speaking, Judas came, one of the twelve, and with him a great crowd with swords and clubs, from the chief priests and the elders of the people. 48 Now the betrayer had given them a sign, saying, “The one I will kiss is the man; seize him.” 49 And he came up to Jesus at once and said, “Greetings, Rabbi!” And he kissed him. 50 Jesus said to him, “Friend, do what you came to do.” Then they came up and laid hands on Jesus and seized him. 51 And behold, one of those who were with Jesus stretched out his hand and drew his sword and struck the servant of the high priest and cut off his ear. 52 Then Jesus said to him, “Put your sword back into its place. For all who take the sword will perish by the sword. 53 Do you think that I cannot appeal to my Father, and he will at once send me more than twelve legions of angels? 54 But how then should the Scriptures be fulfilled, that it must be so?” 55 At that hour Jesus said to the crowds, “Have you come out as against a robber, with swords and clubs to capture me? Day after day I sat in the temple teaching, and you did not seize me. 56 But all this has taken place that the Scriptures of the prophets might be fulfilled.” Then all the disciples left him and fled. 57 Then those who had seized Jesus led him to Caiaphas the high priest, where the scribes and the elders had gathered. 58 And Peter was following him at a distance, as far as the courtyard of the high priest, and going inside he sat with the guards to see the end. 59 Now the chief priests and the whole Council were seeking false testimony against Jesus that they might put him to death, 60 but they found none, though many false witnesses came forward. At last two came forward 61 and said, “This man said, ‘I am able to destroy the temple of God, and to rebuild it in three days.’” 62 And the high priest stood up and said, “Have you no answer to make? What is it that these men testify against you?” 63 But Jesus remained silent. And the high priest said to him, “I adjure you by the living God, tell us if you are the Christ, the Son of God.” 64 Jesus said to him, “You have said so. But I tell you, from now on you will see the Son of Man seated at the right hand of Power and coming on the clouds of heaven.” 65 Then the high priest tore his robes and said, “He has uttered blasphemy. What further witnesses do we need? You have now heard his blasphemy. 66 What is your judgment?” They answered, “He deserves death.” 67 Then they spit in his face and struck him. And some slapped him, 68 saying, “Prophesy to us, you Christ! Who is it that struck you?” 69 Now Peter was sitting outside in the courtyard. And a servant girl came up to him and said, “You also were with Jesus the Galilean.” 70 But he denied it before them all, saying, “I do not know what you mean.” 71 And when he went out to the entrance, another servant girl saw him, and she said to the bystanders, “This man was with Jesus of Nazareth.” 72 And again he denied it with an oath: “I do not know the man.” 73 After a little while the bystanders came up and said to Peter, “Certainly you too are one of them, for your accent betrays you.” 74 Then he began to invoke a curse on himself and to swear, “I do not know the man.” And immediately the rooster crowed. 75 And Peter remembered the saying of Jesus, “Before the rooster crows, you will deny me three times.” And he went out and wept bitterly. Matthew 271 When morning came, all the chief priests and the elders of the people took counsel against Jesus to put him to death. 2 And they bound him and led him away and delivered him over to Pilate the governor. 3 Then when Judas, his betrayer, saw that Jesus was condemned, he changed his mind and brought back the thirty pieces of silver to the chief priests and the elders, 4 saying, “I have sinned by betraying innocent blood.” They said, “What is that to us? See to it yourself.” 5 And throwing down the pieces of silver into the temple, he departed, and he went and hanged himself. 6 But the chief priests, taking the pieces of silver, said, “It is not lawful to put them into the treasury, since it is blood money.” 7 So they took counsel and bought with them the potter's field as a burial place for strangers. 8 Therefore that field has been called the Field of Blood to this day. 9 Then was fulfilled what had been spoken by the prophet Jeremiah, saying, “And they took the thirty pieces of silver, the price of him on whom a price had been set by some of the sons of Israel, 10 and they gave them for the potter's field, as the Lord directed me.” 11 Now Jesus stood before the governor, and the governor asked him, “Are you the King of the Jews?” Jesus said, “You have said so.” 12 But when he was accused by the chief priests and elders, he gave no answer. 13 Then Pilate said to him, “Do you not hear how many things they testify against you?” 14 But he gave him no answer, not even to a single charge, so that the governor was greatly amazed. 15 Now at the feast the governor was accustomed to release for the crowd any one prisoner whom they wanted. 16 And they had then a notorious prisoner called Barabbas. 17 So when they had gathered, Pilate said to them, “Whom do you want me to release for you: Barabbas, or Jesus who is called Christ?” 18 For he knew that it was out of envy that they had delivered him up. 19 Besides, while he was sitting on the judgment seat, his wife sent word to him, “Have nothing to do with that righteous man, for I have suffered much because of him today in a dream.” 20 Now the chief priests and the elders persuaded the crowd to ask for Barabbas and destroy Jesus. 21 The governor again said to them, “Which of the two do you want me to release for you?” And they said, “Barabbas.” 22 Pilate said to them, “Then what shall I do with Jesus who is called Christ?” They all said, “Let him be crucified!” 23 And he said, “Why, what evil has he done?” But they shouted all the more, “Let him be crucified!” 24 So when Pilate saw that he was gaining nothing, but rather that a riot was beginning, he took water and washed his hands before the crowd, saying, “I am innocent of this man's blood; see to it yourselves.” 25 And all the people answered, “His blood be on us and on our children!” 26 Then he released for them Barabbas, and having scourged Jesus, delivered him to be crucified. 27 Then the soldiers of the governor took Jesus into the governor's headquarters, and they gathered the whole battalion before him. 28 And they stripped him and put a scarlet robe on him, 29 and twisting together a crown of thorns, they put it on his head and put a reed in his right hand. And kneeling before him, they mocked him, saying, “Hail, King of the Jews!” 30 And they spit on him and took the reed and struck him on the head. 31 And when they had mocked him, they stripped him of the robe and put his own clothes on him and led him away to crucify him. 32 As they went out, they found a man of Cyrene, Simon by name. They compelled this man to carry his cross. 33 And when they came to a place called Golgotha (which means Place of a Skull), 34 they offered him wine to drink, mixed with gall, but when he tasted it, he would not drink it. 35 And when they had crucified him, they divided his garments among them by casting lots. 36 Then they sat down and kept watch over him there. 37 And over his head they put the charge against him, which read, “This is Jesus, the King of the Jews.” 38 Then two robbers were crucified with him, one on the right and one on the left. 39 And those who passed by derided him, wagging their heads 40 and saying, “You who would destroy the temple and rebuild it in three days, save yourself! If you are the Son of God, come down from the cross.” 41 So also the chief priests, with the scribes and elders, mocked him, saying, 42 “He saved others; he cannot save himself. He is the King of Israel; let him come down now from the cross, and we will believe in him. 43 He trusts in God; let God deliver him now, if he desires him. For he said, ‘I am the Son of God.’” 44 And the robbers who were crucified with him also reviled him in the same way. 45 Now from the sixth hour there was darkness over all the land until the ninth hour. 46 And about the ninth hour Jesus cried out with a loud voice, saying, “Eli, Eli, lema sabachthani?” that is, “My God, my God, why have you forsaken me?” 47 And some of the bystanders, hearing it, said, “This man is calling Elijah.” 48 And one of them at once ran and took a sponge, filled it with sour wine, and put it on a reed and gave it to him to drink. 49 But the others said, “Wait, let us see whether Elijah will come to save him.” 50 And Jesus cried out again with a loud voice and yielded up his spirit. 51 And behold, the curtain of the temple was torn in two, from top to bottom. And the earth shook, and the rocks were split. 52 The tombs also were opened. And many bodies of the saints who had fallen asleep were raised, 53 and coming out of the tombs after his resurrection they went into the holy city and appeared to many. 54 When the centurion and those who were with him, keeping watch over Jesus, saw the earthquake and what took place, they were filled with awe and said, “Truly this was the Son of God!” 55 There were also many women there, looking on from a distance, who had followed Jesus from Galilee, ministering to him, 56 among whom were Mary Magdalene and Mary the mother of James and Joseph and the mother of the sons of Zebedee. 57 When it was evening, there came a rich man from Arimathea, named Joseph, who also was a disciple of Jesus. 58 He went to Pilate and asked for the body of Jesus. Then Pilate ordered it to be given to him. 59 And Joseph took the body and wrapped it in a clean linen shroud 60 and laid it in his own new tomb, which he had cut in the rock. And he rolled a great stone to the entrance of the tomb and went away. 61 Mary Magdalene and the other Mary were there, sitting opposite the tomb. 62 The next day, that is, after the day of Preparation, the chief priests and the Pharisees gathered before Pilate 63 and said, “Sir, we remember how that impostor said, while he was still alive, ‘After three days I will rise.’ 64 Therefore order the tomb to be made secure until the third day, lest his disciples go and steal him away and tell the people, ‘He has risen from the dead,’ and the last fraud will be worse than the first.” 65 Pilate said to them, “You have a guard of soldiers. Go, make it as secure as you can.” 66 So they went and made the tomb secure by sealing the stone and setting a guard. |