Jezus nam gevangene
| Secondary Keywords | gearresteerd Gegeseld gevangene Jezus Pasen passie tuin |
|---|---|
| Schrift | John 181 When Jesus had spoken these words, he went out with his disciples across the Kidron Valley, where there was a garden, which he and his disciples entered. 2 Now Judas, who betrayed him, also knew the place, for Jesus often met there with his disciples. 3 So Judas, having procured a band of soldiers and some officers from the chief priests and the Pharisees, went there with lanterns and torches and weapons. 4 Then Jesus, knowing all that would happen to him, came forward and said to them, “Whom do you seek?” 5 They answered him, “Jesus of Nazareth.” Jesus said to them, “I am he.” Judas, who betrayed him, was standing with them. 6 When Jesus said to them, “I am he,” they drew back and fell to the ground. 7 So he asked them again, “Whom do you seek?” And they said, “Jesus of Nazareth.” 8 Jesus answered, “I told you that I am he. So, if you seek me, let these men go.” 9 This was to fulfill the word that he had spoken: “Of those whom you gave me I have lost not one.” 10 Then Simon Peter, having a sword, drew it and struck the high priest's servant and cut off his right ear. (The servant's name was Malchus.) 11 So Jesus said to Peter, “Put your sword into its sheath; shall I not drink the cup that the Father has given me?” 12 So the band of soldiers and their captain and the officers of the Jews arrested Jesus and bound him. Luke 2247 En terwijl Hij nog sprak, zie, een menigte; en een van de twaalf, die Judas heette, liep voor hen uit en kwam bij Jezus om Hem te kussen. 48 En Jezus zei tegen hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus? 49 En toen zij die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden ze tegen Hem: Heere, zullen wij er met het zwaard op in slaan? 50 En een van hen trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. 51 Maar Jezus antwoordde en zei: Laat hen tot hiertoe begaan. En Hij raakte zijn oor aan en genas hem. 52 En Jezus zei tegen de overpriesters, de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren: Bent u eropuit gegaan met zwaarden en stokken als tegen een misdadiger? 53 Toen Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt u de handen niet naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis. Mark 1443 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten. 44 En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg. 45 En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en hij kuste Hem. 46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem. 47 Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen? 49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden. 50 En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen. 51 En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem, 52 maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg. Matthew 2647 En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk. 48 Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem. 49 En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij kuste Hem. 50 Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. 51 En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 52 Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen? 54 Hoe zouden anders de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet? 55 Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen, 56 maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden. Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten. |