11 Toen zei Jonathan tegen David: Kom, laten we naar buiten gaan, het veld in. En zij gingen beiden naar buiten, het veld in.12 Jonathan zei tegen David: DeHEERE , de God van Israël, is mijn Getuige dat ik mijn vader morgen of overmorgen omstreeks deze tijd uit zal horen; en zie, als het er dan goed voor David voorstaat, en ik stuur je geen bericht om het voor je oor te onthullen,13 dan mag deHEERE zó en nog veel erger met Jonathan doen! Als het echter mijn vader goeddunkt het kwaad over je te brengen, dan zal ik het ook voor je oor onthullen. Ik zal je laten gaan, zodat je in vrede kunt vertrekken. Moge deHEERE met je zijn, zoals Hij met mijn vader geweest is.14 Zul je niet, als ik dan nog leef, mij de goedertierenheid van deHEERE bewijzen, zodat ik niet hoef te sterven?15 Je zult toch ook mijn huis tot in eeuwigheid je goedertierenheid niet onthouden, ook niet wanneer deHEERE eenieder van de vijanden van David van de aardbodem uitgeroeid zal hebben!16 Zo sloot Jonathan een verbond met het huis van David en zei: Laat deHEERE rekenschap eisen van de vijanden van David!17 En Jonathan liet David opnieuw zweren, omdat hij hem liefhad, want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel.18 Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwemaan; dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn.19 En als je drie dagen weggebleven zult zijn, kom dan meteen. Ga naar de plaats waar je je verborgen had op de dag dat je dit gedaan hebt, en blijf bij de steen Ezel.20 Dan zal ik daar drie pijlen langs schieten, alsof ik op een doel schoot.21 En zie, ik zal de jongen sturen en zeggen: Ga de pijlen zoeken. Wanneer ik nadrukkelijk tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn dichter bij je, raap ze op, dan kun je komen, want het is vrede voor je, en er is niets aan de hand, zo waar deHEERE leeft.22 Maar als ik dit tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn verder van je weg, ga dan weg, want deHEERE zendt je weg.23 En wat betreft de zaak waarover ik en jij gesproken hebben, zie, deHEERE is tussen mij en jou tot in eeuwigheid!
1 Samuel 20
35 's Morgens gebeurde het dat Jonathan het veld in ging, op het tijdstip dat met David vastgesteld was, en er was een kleine jongen bij hem.36 Hij zei tegen zijn jongen: Loop snel, zoek toch de pijlen die ik schieten zal. De jongen liep snel weg; en hij schoot een pijl, die hij over hem heen liet vliegen.37 Toen de jongen tot aan de plek gekomen was van de pijl die Jonathan geschoten had, riep Jonathan de jongen achterna en zei: Ligt de pijl niet verder van je vandaan?38 Opnieuw riep Jonathan de jongen achterna: Vlug, haast je, sta niet stil! De jongen van Jonathan raapte de pijl op, en hij kwam naar zijn heer.39 De jongen wist van niets, alleen Jonathan en David wisten van de zaak.40 Toen gaf Jonathan zijn wapens die hij had, aan de jongen en zei tegen hem: Ga ze in de stad brengen.41 Toen de jongen weggegaan was, stond David op van de zuidzijde, en hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande.42 Toen zei Jonathan tegen David: Ga in vrede! Moge dat wat wij beiden in de Naam van deHEERE gezworen hebben, tot in eeuwigheid gelden, namelijk: Moge deHEERE tussen mij en jou zijn, tussen mijn nageslacht en jouw nageslacht!