Koning Joash
| Trefwoorden | Joas koning Joas |
|---|---|
| Secondary Keywords | aankondiging Pacific pers uitgeverij soldaten trompetten viering |
| Schrift | 2 Chronicles 231 In het zevende jaar verstevigde Jojada zijn positie, en hij betrok de bevelhebbers over honderd, Azarja, de zoon van Jeroham, Ismaël, de zoon van Johanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Zij trokken rond in Juda en brachten de Levieten uit alle steden van Juda en de familiehoofden van Israël bijeen, en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En heel de gemeente sloot een verbond met de koning in het huis van God. Jojada zei tegen hen: Zie, de zoon van de koning zal koning worden, zoals deHEERE met betrekking tot de zonen van David gesproken heeft. 4 Dit is de zaak die u doen moet: een derde deel van u die op de sabbat dienst gaan doen, zowel wat de priesters als de Levieten betreft, moeten als deurwachters dienen. 5 Een derde deel moet bij het huis van de koning gaan staan, een derde deel bij de Fundamentpoort, en heel het volk in de voorhoven van het huis van deHEERE . 6 Niemand mag echter het huis van deHEERE binnengaan, behalve de priesters en de Levieten die dienstdoen. Zíj mogen naar binnen gaan, want zij zijn heilig, maar heel het volk moet de voorschriften van deHEERE in acht nemen. 7 De Levieten moeten de koning rondom omringen, ieder met zijn wapens in zijn hand; wie het huis binnenkomt, moet ter dood gebracht worden. U moet bij de koning blijven, waar hij ook gaat of staat. 8 De Levieten en heel Juda deden overeenkomstig alles wat de priester Jojada geboden had, en ieder nam zijn mannen die op de sabbat dienst gingen doen mee, met hen die op de sabbat afgelost werden, want de priester Jojada had de afdelingen geen verlof gegeven. 9 De priester Jojada gaf de bevelhebbers over honderd de speren, de kleine schilden en de gewone schilden die van koning David geweest waren, die in het huis van God waren. 10 En hij stelde heel het volk op rondom de koning, ieder met zijn wapens in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, in de richting van het altaar en in de richting van het huis. 11 Daarna brachten zij de zoon van de koning naar buiten, zetten hem de diadeem op en gaven hem de getuigenis. Zij maakten hem koning en Jojada en zijn zonen zalfden hem en zeiden: Leve de koning! 12 Toen Athalia het geluid hoorde van het volk, dat snel kwam toelopen en de koning toejuichte, kwam zij naar het volk in het huis van deHEERE . 13 En zij zag, en zie, de koning stond bij zijn pilaar bij de ingang, en bij de koning de bevelhebbers en de trompetten; en de hele bevolking van het land was blij en blies met trompetten, en de zangers stonden er met hun muziekinstrumenten en gaven te kennen deHEERE te willen prijzen. Toen scheurde Athalia haar kleren en riep: Verraad, verraad! 14 Maar de priester Jojada liet de bevelhebbers over honderd, die over het leger aangesteld waren, naar buiten gaan en zei tegen hen: Breng haar buiten de gelederen en dood wie haar volgt met het zwaard. Want de priester had gezegd: U mag haar niet in het huis van deHEERE ter dood brengen. 15 Daarop sloegen zij de handen aan haar. Zij was bij de ingang van de Paardenpoort in het huis van de koning gekomen en zij doodden haar daar. 16 En Jojada sloot een verbond tussen Hem, heel het volk en de koning, om een volk voor deHEERE te zijn. 17 Daarna ging heel het volk naar het huis van de Baäl en brak dat af; zijn altaren en zijn beelden braken zij in stukken. Mattan, de priester van de Baäl, doodden zij voor de altaren. 18 Jojada stelde de ambten van het huis van deHEERE weer onder de leiding van de Levitische priesters die David over het huis van deHEERE verdeeld had om de brandoffers van deHEERE te brengen, zoals beschreven staat in de wet van Mozes, met blijdschap en met een lied, volgens de instelling van David. 19 En hij stelde de poortwachters aan bij de poorten van het huis van deHEERE , zodat niemand die om welke reden dan ook onrein was, binnen kon komen. 20 Hij nam de bevelhebbers over honderd, de vooraanstaanden, de heersers over het volk, en de hele bevolking van het land met zich mee. Zij haalden de koning uit het huis van deHEERE , kwamen door de Hoge Poort in het huis van de koning en lieten de koning plaatsnemen op de koningstroon. 21 En de hele bevolking van het land was blij, en de stad had rust, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden. 2 Kings 111 Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, stond zij op en bracht zij heel het koninklijk nageslacht om. 2 Maar Joseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en nam hem weg uit het midden van de zonen van de koning die ter dood gebracht werden, en bracht hem en zijn voedster naar de linnenkamer. En zij verborgen hem voor Athalia, zodat hij niet gedood werd. 3 Hij bleef zes jaar met haar verborgen in het huis van deHEERE , terwijl Athalia over het land regeerde. 4 In het zevende jaar stuurde Jojada boden en liet de bevelhebbers over honderd van de garde en van de lijfwacht halen. Hij bracht hen bij zich in het huis van deHEERE en sloot een verbond met hen; hij nam hun in het huis van deHEERE een eed af, en toonde hun de zoon van de koning. 5 Hij gebood hun: Dit is wat u doen moet: een derde deel van u die op de sabbat dienst gaan doen, moet de wacht betrekken bij het huis van de koning; 6 een derde deel moet bij de poort Sur gaan staan, en een derde deel bij de poort achter de lijfwacht. Zo moet u om beurten de wacht betrekken bij dit huis. 7 En twee afdelingen van u – allen die op de sabbat afgelost worden – moeten de wacht bij het huis van deHEERE betrekken, bij de koning. 8 U moet de koning rondom omringen, ieder met zijn wapens in zijn hand; wie de gelederen binnendringt, moet gedood worden. U moet bij de koning blijven, waar hij ook gaat of staat. 9 De bevelhebbers over honderd deden overeenkomstig alles wat de priester Jojada geboden had, en ieder nam zijn mannen die op de sabbat dienst gingen doen mee, met hen die op de sabbat afgelost werden; en zij kwamen bij de priester Jojada. 10 De priester gaf de bevelhebbers over honderd de speren en de schilden die van koning David geweest waren, die in het huis van deHEERE waren. 11 En de leden van de lijfwacht stonden rondom de koning, ieder met zijn wapens in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, in de richting van het altaar en in de richting van het huis. 12 Daarna bracht hij de zoon van de koning naar buiten, zette hem de diadeem op en gaf hem de getuigenis. Zij maakten hem koning en zalfden hem. Zij klapten in de handen en zeiden: Leve de koning! 13 Toen Athalia het geluid van de lijfwacht en het volk hoorde, kwam zij naar het volk in het huis van deHEERE . 14 En zij zag, en zie, de koning stond volgens de bepaling bij de pilaar, en bij de koning de bevelhebbers en de trompetten; en de hele bevolking van het land was blij en blies op de trompetten. Toen scheurde Athalia haar kleren en riep: Verraad, verraad! 15 Maar de priester Jojada gebood de bevelhebbers over honderd, die over het leger aangesteld waren, en zei tegen hen: Breng haar buiten de gelederen en dood wie haar volgt met het zwaard. Want de priester had gezegd: Laat haar niet in het huis van deHEERE gedood worden. 16 Daarop sloegen zij de handen aan haar; zij was via de ingang van de paarden bij het huis van de koning gekomen en zij werd daar gedood. 17 En Jojada sloot een verbond tussen deHEERE , de koning en het volk, om een volk voor deHEERE te zijn; en ook tussen de koning en het volk. 18 Daarna ging de hele bevolking van het land naar het huis van de Baäl en brak dat af; zijn altaren en zijn beelden braken zij volledig in stukken. Mattan, de priester van de Baäl, doodden zij voor de altaren. De priester stelde de ambten weer in voor het huis van deHEERE . 19 Hij nam de bevelhebbers over honderd, de garde, de lijfwacht en de hele bevolking van het land met zich mee. Zij haalden de koning uit het huis van deHEERE , en kwamen via de weg van de poort van de lijfwacht in het huis van de koning; en hij nam plaats op de koningstroon. 20 De hele bevolking van het land was blij en de stad bleef rustig, nadat zij Athalia bij het huis van de koning met het zwaard gedood hadden. 21 Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. 2 Kings 114 In het zevende jaar stuurde Jojada boden en liet de bevelhebbers over honderd van de garde en van de lijfwacht halen. Hij bracht hen bij zich in het huis van deHEERE en sloot een verbond met hen; hij nam hun in het huis van deHEERE een eed af, en toonde hun de zoon van de koning. |