Zonde en berouw van Manasse
| Secondary Keywords | bekering koningen koninkrijk oud verdeeld zonde |
|---|---|
| Schrift | 2 Chronicles 331 Manasseh was twelve years old when he began to reign, and he reigned fifty-five years in Jerusalem. 2 And he did what was evil in the sight of the LORD, according to the abominations of the nations whom the LORD drove out before the people of Israel. 3 For he rebuilt the high places that his father Hezekiah had broken down, and he erected altars to the Baals, and made Asherahs, and worshiped all the host of heaven and served them. 4 And he built altars in the house of the LORD, of which the LORD had said, “In Jerusalem shall my name be forever.” 5 And he built altars for all the host of heaven in the two courts of the house of the LORD. 6 And he burned his sons as an offering in the Valley of the Son of Hinnom, and used fortune-telling and omens and sorcery, and dealt with mediums and with necromancers. He did much evil in the sight of the LORD, provoking him to anger. 7 And the carved image of the idol that he had made he set in the house of God, of which God said to David and to Solomon his son, “In this house, and in Jerusalem, which I have chosen out of all the tribes of Israel, I will put my name forever, 8 and I will no more remove the foot of Israel from the land that I appointed for your fathers, if only they will be careful to do all that I have commanded them, all the law, the statutes, and the rules given through Moses.” 9 Manasseh led Judah and the inhabitants of Jerusalem astray, to do more evil than the nations whom the LORD destroyed before the people of Israel. 10 The LORD spoke to Manasseh and to his people, but they paid no attention. 11 Therefore the LORD brought upon them the commanders of the army of the king of Assyria, who captured Manasseh with hooks and bound him with chains of bronze and brought him to Babylon. 12 And when he was in distress, he entreated the favor of the LORD his God and humbled himself greatly before the God of his fathers. 13 He prayed to him, and God was moved by his entreaty and heard his plea and brought him again to Jerusalem into his kingdom. Then Manasseh knew that the LORD was God. 14 Afterward he built an outer wall for the city of David west of Gihon, in the valley, and for the entrance into the Fish Gate, and carried it around Ophel, and raised it to a very great height. He also put commanders of the army in all the fortified cities in Judah. 15 And he took away the foreign gods and the idol from the house of the LORD, and all the altars that he had built on the mountain of the house of the LORD and in Jerusalem, and he threw them outside of the city. 16 He also restored the altar of the LORD and offered on it sacrifices of peace offerings and of thanksgiving, and he commanded Judah to serve the LORD, the God of Israel. 17 Nevertheless, the people still sacrificed at the high places, but only to the LORD their God. 18 Now the rest of the acts of Manasseh, and his prayer to his God, and the words of the seers who spoke to him in the name of the LORD, the God of Israel, behold, they are in the Chronicles of the Kings of Israel. 19 And his prayer, and how God was moved by his entreaty, and all his sin and his faithlessness, and the sites on which he built high places and set up the Asherim and the images, before he humbled himself, behold, they are written in the Chronicles of the Seers. 20 So Manasseh slept with his fathers, and they buried him in his house, and Amon his son reigned in his place. 21 Amon was twenty-two years old when he began to reign, and he reigned two years in Jerusalem. 22 And he did what was evil in the sight of the LORD, as Manasseh his father had done. Amon sacrificed to all the images that Manasseh his father had made, and served them. 23 And he did not humble himself before the LORD, as Manasseh his father had humbled himself, but this Amon incurred guilt more and more. 24 And his servants conspired against him and put him to death in his house. 25 But the people of the land struck down all those who had conspired against King Amon. And the people of the land made Josiah his son king in his place. 2 Kings 211 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hefziba. 2 Hij deed wat slecht was in de ogen van deHEERE , overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die deHEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had. 3 Hij herbouwde de offerhoogten die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het. 4 Verder bouwde hij altaren in het huis van deHEERE , waarvan deHEERE gezegd had: In Jeruzalem zal Ik Mijn Naam vestigen. 5 Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van deHEERE . 6 Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van deHEERE , om Hem tot toorn te verwekken. 7 Hij zette ook een beeld van Asjera dat hij gemaakt had, in het huis waarvan deHEERE gezegd had tegen David en zijn zoon Salomo: In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen. 8 Ik zal de voet van Israël nooit meer doen wijken uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, alleen als zij nauwlettend doen overeenkomstig alles wat Ik hun geboden heb en overeenkomstig de hele wet die Mijn dienaar Mozes hun geboden heeft. 9 Maar zij luisterden niet, want Manasse deed hen dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die deHEERE van voor de ogen van de Israëlieten weggevaagd had. 10 Toen sprak deHEERE door de dienst van Zijn dienaren, de profeten: 11 Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruweldaden gedaan heeft, erger dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die er vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn stinkgoden heeft doen zondigen – 12 daarom, zo zegt deHEERE , de God van Israël: Zie, Ik ga onheil over Jeruzalem en Juda brengen, zodat bij ieder die het hoort, zijn beide oren zullen tuiten. 13 Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven. 14 Ik zal het overblijfsel van Mijn eigendom verlaten en hen in de hand van hun vijanden geven. Zij zullen tot plundering en tot buit worden voor al hun vijanden, 15 omdat zij gedaan hebben wat slecht was in Mijn ogen en Mij tot toorn verwekt hebben, vanaf de dag dat hun vaderen uit Egypte gegaan zijn, tot op deze dag. 16 Bovendien vergoot Manasse heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem daarmee vervuld had, van het ene einde tot het andere einde, afgezien van zijn andere zonde, waarmee hij Juda deed zondigen, door te doen wat slecht was in de ogen van deHEERE . 17 Het overige nu van de geschiedenis van Manasse, alles wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij begaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 18 Manasse ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza, en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 19 Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Mesullemet, de dochter van Haruz, van Jotba. 20 Hij deed wat slecht was in de ogen van deHEERE , zoals zijn vader Manasse gedaan had. 21 Hij ging in al de wegen die zijn vader gegaan was, hij diende de stinkgoden die zijn vader gediend had, en boog zich voor die neer. 22 Hij verliet deHEERE , de God van zijn vaderen, en ging niet in de weg van deHEERE . 23 De dienaren van Amon spanden tegen hem samen en doodden de koning in zijn huis. 24 De bevolking van het land doodde echter allen die tegen koning Amon samengespannen hadden, en de bevolking van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. 25 Het overige nu van de geschiedenis van Amon, wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 26 Men begroef hem in zijn graf, in de tuin van Uzza, en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. |