1 Het Feest nu van de ongezuurde broden, dat Pascha heet, was nabij.2 En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk.3 Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde.4 En hij ging weg en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht hoe hij Hem aan hen zou overleveren.5 En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven.6 En hij stemde erin toe en zocht een geschikte gelegenheid om Hem, buiten de menigte om, aan hen over te leveren.
Mark 14
10 En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.11 En toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden zij hem geld te geven. En hij zocht naar een geschikte manier om Hem over te leveren.
Matthew 26
14 Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de overpriesters15 en zei: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? En zij kenden hem dertig zilverstukken toe.16 En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.