Samuël werd naar het huis van Jesse gestuurd. Eén van Jesse's zonen zou de volgende koning worden. Samuël dacht dat het één van de oudere, sterkere mannen zou zijn. Hij had het mis. Het was de jongste, David.
1 Toen zei deHEERE tegen Samuel: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël meer zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga op weg; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen.2 Maar Samuel zei: Hoe kan ik daarheen gaan? Saul zal het horen en mij doden. Toen zei deHEERE : Neem een kalf van de runderen met u mee en zeg: Ik ben gekomen om deHEERE een offer te brengen.3 Dan moet u Isaï voor het offer uitnodigen en zal Ik u te kennen geven wat u doen moet: u moet voor Mij zalven die Ik u zeggen zal.4 En Samuel deed wat deHEERE gesproken had en kwam in Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad hem bevend tegemoet en zeiden: Is uw komst met vrede?5 Hij zei: Met vrede; ik ben gekomen om voor deHEERE een offer te brengen; heilig u en kom met mij naar het offer. Hij heiligde Isaï en zijn zonen en nodigde hen uit voor het offer.6 En het gebeurde, toen zij kwamen, dat hij Eliab zag en dacht: Deze is vast en zeker voor deHEERE Zijn gezalfde.7 Maar deHEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar deHEERE ziet het hart aan.8 Toen riep Isaï Abinadab en hij deed hem voorbij Samuel gaan, maar hij zei: DeHEERE heeft ook deze niet uitgekozen.9 Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan, maar hij zei: DeHEERE heeft ook deze niet uitgekozen.10 Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij Samuel gaan, maar Samuel zei tegen Isaï: DeHEERE heeft dezen niet uitgekozen.11 Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur een bode en laat hem halen, want wij zullen niet rond de tafel gaan zitten, totdat hij hier gekomen is.12 Toen stuurde hij een bode en bracht hem. Hij was rossig, had mooie ogen en was knap om te zien. DeHEERE zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.13 Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van deHEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.