Salomo bidden voor wijsheid
| Secondary Keywords | bidden koningen koninkrijk Samuel Solomon verenigd wijsheid Zegent |
|---|---|
| Schrift | 1 Kings 31 Salomo ging huwelijksbanden aan met de farao, de koning van Egypte: hij nam de dochter van de farao tot vrouw en bracht haar in de stad van David, totdat hij de bouw van zijn huis, het huis van deHEERE en de muur rondom Jeruzalem had voltooid. 2 Alleen offerde het volk nog op de hoogten, want tot in die dagen was er nog geen huis voor de Naam van deHEERE gebouwd. 3 Salomo had deHEERE lief, door te wandelen overeenkomstig de verordeningen van zijn vader David. Alleen bracht hij slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten. 4 De koning ging naar Gibeon om daar te offeren, omdat de hoogte daar de belangrijkste was. Duizend brandoffers bracht Salomo op dat altaar. 5 In Gibeon verscheen deHEERE 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal. 6 Salomo zei: Ú hebt aan Uw dienaar David, mijn vader, grote goedertierenheid bewezen, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in trouw, in rechtvaardigheid en in oprechtheid van hart bij U. En U hebt dit grote blijk van goedertierenheid aan hem bewezen dat U hem een zoon gaf die op zijn troon zit, zoals op deze dag. 7 Nu dan,HEERE , mijn God! Ú hebt Uw dienaar koning gemaakt in de plaats van mijn vader David. Ík ben echter een jonge man: ik weet niet uit of in te gaan. 8 En Uw dienaar is te midden van Uw volk geplaatst, dat U verkozen hebt, een groot volk, dat vanwege de menigte niet geteld of geschat kan worden. 9 Geef dan Uw dienaar een opmerkzaam hart, om recht te kunnen spreken over Uw volk, om met inzicht onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad, want wie zou over dit machtige volk van U kunnen rechtspreken? 10 Het was goed in de ogen van de Heere, dat Salomo dit gevraagd had. 11 God zei tegen hem: Omdat u hierom gevraagd hebt, en niet gevraagd hebt om een lang leven voor uzelf; omdat u niet om rijkdom voor uzelf hebt gevraagd en niet om de dood van uw vijanden hebt gevraagd, maar om inzicht hebt gevraagd voor uzelf om naar rechtszaken te kunnen luisteren, 12 zie, daarom doe Ik overeenkomstig uw woorden: zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke er vóór u niet geweest is, en uws gelijke na u niet zal opstaan. 13 En zelfs dat waar u niet om gevraagd hebt, geef Ik u: zowel rijkdom als eer, zodat niemand onder de koningen uws gelijke zal zijn, al uw dagen. 14 En als u in Mijn wegen gaat door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw dagen verlengen. 15 Toen werd Salomo wakker, en zie, het was een droom. En hij kwam in Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond van de Heere, bracht brandoffers, bereidde dankoffers en richtte een maaltijd aan voor al zijn dienaren. 16 Toen kwamen er twee vrouwen, hoeren, bij de koning, en zij gingen voor hem staan. 17 De ene vrouw zei: Och, mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis, en ik heb bij haar in huis een kind gebaard. 18 Het gebeurde op de derde dag nadat ik gebaard had, dat deze vrouw ook een kind baarde. Nu waren wij samen, geen vreemde was er bij ons in huis; alleen wij tweeën waren in huis. 19 Toen is de zoon van deze vrouw 's nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had. 20 En zij is midden in de nacht opgestaan, heeft mijn zoon bij mij weggenomen, terwijl uw dienares sliep, en heeft hem in haar schoot gelegd; en haar dode zoon legde zij in mijn schoot. 21 Toen ik 's morgens opstond om mijn zoon te voeden, zie, hij was dood. Diezelfde morgen echter bekeek ik hem goed, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had. 22 Toen zei de andere vrouw: Niet waar, de levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon. De eerste zei daarentegen: Niet waar, de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij ten overstaan van de koning. 23 Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, de levende, en uw zoon is de dode, en die zegt: Niet waar, uw zoon is de dode en mijn zoon is de levende. 24 Vervolgens zei de koning: Breng mij een zwaard; en zij brachten een zwaard bij de koning. 25 En de koning zei: Snijd dat levende kind in tweeën, en geef de helft aan de één en de helft aan de ander. 26 Maar de vrouw van wie de levende zoon was – want haar medelijden werd opgewekt vanwege haar zoon – zei tegen de koning: Och, mijn heer! Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval. Maar de ander zei: Het zal niet voor mij en ook niet voor u zijn, snijd het doormidden. 27 Toen antwoordde de koning en zei: Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval: zij is zijn moeder. 28 En heel Israël hoorde het oordeel dat de koning geveld had, en men had ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te doen. 1 Kings 91 Het gebeurde nu, toen Salomo de bouw van het huis van deHEERE en het huis van de koning voltooid had, en toen Salomo al zijn wensen, die hij uit wilde voeren, ten uitvoer had gebracht, 2 dat deHEERE voor de tweede maal aan Salomo verscheen, zoals Hij aan hem in Gibeon verschenen was. 3 DeHEERE zei tegen hem: Ik heb uw gebed en uw smeekbede gehoord, die u voor Mijn aangezicht gesmeekt hebt. Ik heb dit huis dat u gebouwd hebt, geheiligd om Mijn Naam daar tot in eeuwigheid te vestigen. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn. 4 En u, wanneer u voor Mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, en u Mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt, 5 dan zal Ik de troon van uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen, zoals Ik met betrekking tot uw vader David gesproken heb: Het zal u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël. 6 Maar als u en uw kinderen zich ooit van achter Mij afkeren en Mijn geboden en Mijn verordeningen, die Ik u voorgehouden heb, niet in acht nemen, maar andere goden gaan dienen en zich voor hen neerbuigen, 7 dan zal Ik Israël uitroeien uit het land dat Ik hun gegeven heb, en zal Ik het huis, dat Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, van voor Mijn aangezicht wegwerpen, en zal Israël onder alle volken tot een spreekwoord en een voorwerp van spot worden. 8 En dit huis zal een ruïne worden. Ieder die er voorbijgaat, zal zich ontzetten, sissen van afschuw en zeggen: Waarom heeft deHEERE zo gedaan met dit land en met dit huis? 9 Dan zal men zeggen: Omdat zij deHEERE , hun God, hebben verlaten, Die hun vaderen uit het land Egypte had geleid. Zij klampten zich vast aan andere goden en gingen zich voor hen neerbuigen en hen dienen. Daarom heeft deHEERE al dit kwaad over hen gebracht. 10 En het gebeurde na verloop van twintig jaar, waarin Salomo de twee huizen gebouwd had, het huis van deHEERE en het huis van de koning, 11 dat koning Salomo aan Hiram twintig steden in het land van Galilea gaf. Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo gesteund met cederhout, met cipressenhout en met goud, overeenkomstig al zijn wensen. 12 En Hiram vertrok uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem had gegeven, maar ze waren niet goed in zijn ogen. 13 Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder? En hij noemde ze het land Kabul, zoals het tot op deze dag heet. 14 En Hiram stuurde de koning honderdtwintig talent goud. 15 Dit nu is de kwestie van de lichting voor de herendienst, die koning Salomo liet opkomen om het huis van deHEERE , zijn eigen huis, de Millo, de muur van Jeruzalem, Hazor, Megiddo en Gezer te bouwen. 16 Farao, de koning van Egypte, was namelijk opgetrokken en had Gezer ingenomen en het met vuur verbrand, de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood, en het aan zijn dochter, de vrouw van Salomo, als geschenk gegeven. 17 Salomo heeft toen Gezer herbouwd, en ook Laag-Beth-Horon, 18 Baälath en Tamor in de woestijn, in dat land, 19 al de voorraadsteden die Salomo had, de wagensteden, de ruitersteden, al wat hij maar verlangde te bouwen, in Jeruzalem, op de Libanon en in heel het land van zijn heerschappij. 20 Al het volk dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet bij de Israëlieten behoorden, 21 hun nakomelingen, die na hen in het land waren overgebleven en die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen liet Salomo opkomen om in herendienst te werken, tot op deze dag. 22 Uit de Israëlieten echter stelde Salomo geen slaaf aan. Zij waren immers strijdbare mannen, zijn dienaren, zijn bevelhebbers en zijn officieren: de bevelhebbers over zijn wagens en zijn ruiters. 23 Dit waren de opzichters over hen die aangesteld waren en die over het werk van Salomo gingen, vijfhonderdvijftig man, die de leiding hadden over het volk dat het werk verrichtte. 24 Zodra de dochter van de farao vertrokken was uit de stad van David naar haar huis, dat Salomo voor haar had gebouwd, toen heeft hij de Millo gebouwd. 25 Salomo bracht driemaal per jaar brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor deHEERE had gebouwd en ook bracht hij er reukoffers, namelijk op het altaar dat voor het aangezicht van deHEERE stond, toen hij het huis voltooid had. 26 Koning Salomo bouwde ook een vloot in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt, aan de oever van de Schelfzee, in het land Edom. 27 En Hiram stuurde zijn dienaren mee met de vloot: scheepslieden, kenners van de zee, samen met de dienaren van Salomo. 28 En zij kwamen in Ofir en haalden daar goud vandaan, vierhonderdtwintig talent, en brachten het naar koning Salomo. 2 Chronicles 11 Salomo, de zoon van David, verstevigde zijn positie in zijn koninkrijk, want deHEERE , zijn God, was met hem, en maakte hem buitengewoon machtig. 2 Salomo sprak tot heel Israël, tot de bevelhebbers van duizend en van honderd, en tot de rechters, en tot elke leider in heel Israël, de hoofden van de families. 3 En Salomo en heel de gemeente met hem gingen op weg naar de offerhoogte die in Gibeon was, omdat daar de tent van ontmoeting van God stond, die Mozes, de dienaar van deHEERE , in de woestijn gemaakt had. 4 David had de ark van God echter uit Kirjath-Jearim overgebracht naar de plaats die David ervoor had gereedgemaakt, want hij had er in Jeruzalem een tent voor opgezet. 5 En het koperen altaar dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, had hij voor de tabernakel van deHEERE gezet. En Salomo bezocht dat met de gemeente. 6 En Salomo offerde daar, voor het aangezicht van deHEERE , op het koperen altaar dat bij de tent van ontmoeting hoorde. Duizend brandoffers bracht hij daarop. 7 In die nacht verscheen God aan Salomo en zei tegen hem: Vraag wat Ik u geven zal. 8 Salomo zei tegen God: Ú hebt aan mijn vader David grote goedertierenheid bewezen, en mij in zijn plaats koning gemaakt. 9 Nu dan,HEERE God, laat Uw woord tot mijn vader David bewaarheid worden! Ú hebt mij immers koning gemaakt over een volk, talrijk als het stof van de aarde. 10 Geef mij nu wijsheid en kennis, zodat ik voor de ogen van dit volk uitga en inga, want wie zou over dit grote volk van U kunnen rechtspreken? 11 Toen zei God tegen Salomo: Omdat dit in uw hart geweest is en u geen rijkdom, bezittingen en eer gevraagd hebt, of het leven van wie u haat, of zelfs niet een lang leven gevraagd hebt, maar wijsheid en kennis voor uzelf gevraagd hebt, zodat u over Mijn volk, waarover Ik u koning gemaakt heb, zou kunnen rechtspreken, 12 daarom is de wijsheid en de kennis aan u gegeven. Verder zal Ik u rijkdom, bezittingen en eer geven, zoveel als de koningen vóór u niet gehad hebben en zoveel als de koningen na u niet zullen hebben. 13 Zo kwam Salomo in Jeruzalem, van de offerhoogte die te Gibeon is, van voor de tent van ontmoeting, en hij regeerde over Israël. 14 Verder verzamelde Salomo strijdwagens en ruiters. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters. Hij bracht ze onder in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 15 De koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem zo overvloedig als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland voorkomen. 16 En de aanvoer van de paarden die Salomo had, was uit Egypte en uit Kewe. Kooplieden van de koning namen ze tegen een bepaalde prijs uit Kewe mee. 17 Een wagen werd uit Egypte uitgevoerd voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderdvijftig. Zo voerden ze die door hun tussenkomst uit naar alle koningen van de Hethieten en de koningen van Syrië. |








