Salomo de Wijze
| Trefwoorden | Solomon |
|---|---|
| Secondary Keywords | close-up dicht Farizeeër huilen huilen kijk omhoog op zoek naar prins royalty's wijs man |
| Schrift | Ecclesiastes 11 The words of the Preacher, the son of David, king in Jerusalem. 2 Vanity of vanities, says the Preacher, vanity of vanities! All is vanity. 3 What does man gain by all the toil at which he toils under the sun? 4 A generation goes, and a generation comes, but the earth remains forever. 5 The sun rises, and the sun goes down, and hastens to the place where it rises. 6 The wind blows to the south and goes around to the north; around and around goes the wind, and on its circuits the wind returns. 7 All streams run to the sea, but the sea is not full; to the place where the streams flow, there they flow again. 8 All things are full of weariness; a man cannot utter it; the eye is not satisfied with seeing, nor the ear filled with hearing. 9 What has been is what will be, and what has been done is what will be done, and there is nothing new under the sun. 10 Is there a thing of which it is said, “See, this is new”? It has been already in the ages before us. 11 There is no remembrance of former things, nor will there be any remembrance of later things yet to be among those who come after. 12 I the Preacher have been king over Israel in Jerusalem. 13 And I applied my heart to seek and to search out by wisdom all that is done under heaven. It is an unhappy business that God has given to the children of man to be busy with. 14 I have seen everything that is done under the sun, and behold, all is vanity and a striving after wind. 15 What is crooked cannot be made straight, and what is lacking cannot be counted. 16 I said in my heart, “I have acquired great wisdom, surpassing all who were over Jerusalem before me, and my heart has had great experience of wisdom and knowledge.” 17 And I applied my heart to know wisdom and to know madness and folly. I perceived that this also is but a striving after wind. 18 For in much wisdom is much vexation, and he who increases knowledge increases sorrow. Song of Songs 11 Het Hooglied, dat van Salomo is. zij: 2 Laat Hij mij kussen met de kussen van Zijn mond, want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. 3 Uw zalfoliën zijn heerlijk van geur, Uw Naam is een uitgegoten zalfolie. Daarom hebben de meisjes U lief. 4 Trek mij mee, wij zullen achter U aan snellen. De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkamers. Laten wij ons verheugen en ons in U verblijden, laten wij Uw uitnemende liefde in herinnering roepen meer dan de wijn. Met recht hebben zij U lief. 5 Donker van huid ben ik, maar bekoorlijk, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de tentkleden van Salomo. 6 Zie niet op mij neer omdat ik donker ben, want de zon heeft mij beschenen. De zonen van mijn moeder ontstaken tegen mij in woede, zij maakten mij tot bewaakster van de wijngaarden. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt. 7 U, Die ik innig liefheb, maak mij bekend waar U de kudde weidt, waar U die op de middag laat rusten. Want waarom zou ik zijn als een gesluierde bij de kudden van Uw metgezellen? Hij: 8 Als u het niet weet, o, allermooiste onder de vrouwen, volg dan de sporen van de schapen en weid uw geiten bij de woningen van de herders. 9 Mijn vriendin, Ik vergelijk u met de paarden voor de wagens van de farao. 10 Lieflijk zijn uw wangen tussen de kettinkjes, en uw hals met de parelsnoeren. 11 Wij zullen gouden kettinkjes voor u maken met zilveren knopjes. zij: 12 Zolang de Koning aan Zijn ronde tafel zit, verspreidt mijn nardus zijn geur. 13 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre dat tussen mijn borsten overnacht. 14 Mijn Liefste is mij een tros hennabloemen uit de wijngaarden van Engedi. Hij: 15 Zie, u bent mooi, Mijn vriendin, zie, u bent mooi, uw ogen zijn als duiven. zij: 16 Zie, U bent mooi, mijn Liefste, ja, lieflijk. Ja, onze rustbank is het groene loof. 17 De balken van onze huizen zijn ceders, onze dakspanten zijn cipressen. |