Tien geboden
| Secondary Keywords | geboden tabletten tien Tien Geboden uittocht |
|---|---|
| Schrift | Deuteronomy 101 In die tijd zei deHEERE tegen mij: Houw twee stenen tafelen voor u uit, net als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout voor u maken. 2 En Ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die u verbrijzeld hebt; en dan moet u ze in de kist leggen. 3 Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand. 4 Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die deHEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam; en deHEERE gaf ze aan mij. 5 En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik gemaakt had. Daar zijn ze nog steeds, zoals deHEERE mij geboden had. 6 (Toen braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester in zijn plaats. 7 Daarvandaan braken zij op naar Gudgod en van Gudgod naar Jotbath, een land vol beken.) 8 In die tijd zonderde deHEERE de stam Levi af om de ark van het verbond van deHEERE te dragen, om voor het aangezicht van deHEERE te staan, om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 9 Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; deHEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals deHEERE , uw God, tot hem gesproken heeft. 10 Ík stond dus op de berg, net als de vorige dagen: veertig dagen en veertig nachten. DeHEERE verhoorde mij ook deze keer; deHEERE wilde u niet te gronde richten. 11 En deHEERE zei tegen mij: Sta op, ga op reis, voor het volk uit, zodat zij in het land komen dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, en zij dat in bezit nemen. Exodus 201 Toen sprak God al deze woorden: 2 Ik ben deHEERE , uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft. 3 U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. 5 U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, deHEERE , uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen. 7 U zult de Naam van deHEERE , uw God, niet ijdel gebruiken, want deHEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt. 8 Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt. 9 Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, 10 maar de zevende dag is de sabbat van deHEERE , uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is. 11 Want in zes dagen heeft deHEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende deHEERE de sabbatdag, en heiligde die. 12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat deHEERE , uw God, u geeft. 13 U zult niet doodslaan. 14 U zult niet echtbreken. 15 U zult niet stelen. 16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is. Exodus 3215 En Mozes keerde zich om en daalde de berg af, met de twee tafelen van de getuigenis in zijn hand. Deze tafelen waren aan beide kanten beschreven; ze waren aan de ene en aan de andere kant beschreven. 16 Die tafelen waren Gods eigen werk; ook was het schrift Gods eigen schrift, in de tafelen gegraveerd. James 210 Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden. 11 Immers, Hij Die gezegd heeft: U zult geen overspel plegen, heeft ook gezegd: U zult niet doodslaan. Als u dan geen overspel bedrijft, maar wel doodslaat, bent u toch een wetsovertreder geworden. 12 Spreek zó en handel zó als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid. |








