5 Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: Zo waar deHEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6 En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7 Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt deHEERE , de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.