1 Toen de ark van deHEERE zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was,2 riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, en zij vroegen: Wat zullen wij met de ark van deHEERE doen? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn eigen plaats moeten terugsturen.3 Zij zeiden: Wanneer u de ark van de God van Israël terugstuurt, stuur hem dan niet leeg terug, maar doe Hem beslist een schuldoffer toekomen; dan zult u genezen worden en zal u bekend zijn waarom Zijn hand niet van u wijkt.
1 Samuel 6
10 Zo deden die mannen; zij namen twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, maar hun kalveren sloten zij in huis op.11 Zij zetten de ark van deHEERE op de wagen, evenals het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen.12 De koeien liepen regelrecht, in één spoor, de weg langs, op weg naar Beth-Semes; zij liepen al loeiend steeds maar door en weken niet af naar rechts of naar links. De stadsvorsten van de Filistijnen liepen erachteraan, tot aan het gebied van Beth-Semes.13 De inwoners van Beth-Semes waren de tarweoogst aan het maaien in het dal. Toen zij hun ogen opsloegen en de ark zagen, waren zij verheugd die te zien.14 De wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-Semiet, en bleef daar staan. Er was daar een grote steen, en zij kloofden het hout van de wagen en offerden de koeien als brandoffer aan deHEERE .
1 Samuel 6
7 Nu dan, neem een nieuwe wagen, maak die gereed, en neem twee zogende koeien, waarop nog geen juk gekomen is; span de koeien voor de wagen en breng hun kalveren achter hen vandaan terug naar huis.8 Neem dan de ark van deHEERE , zet hem op de wagen, en leg de gouden voorwerpen die u Hem als schuldoffer doet toekomen, in een kistje ernaast. Stuur hem vervolgens terug en laat hem gaan.9 Let dan op: als de ark de weg naar het gebied van Beth-Semes inslaat, heeft Híj ons dit grote kwaad aangedaan. Maar zo niet, dan weten wij dat niet Zijn hand ons getroffen heeft; dan is het ons toevallig overkomen.