Paardenslee trekt familie naar verlichte kerk op een koude winterdag. Hun hondje volgt hen. Twee sleeën rusten op een bevroren vijver. Scène met kerk, slee en sneeuw.
5 Ik zal spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit,qac heqac* en van Uw wonderlijke daden.6 Zij zullen de kracht van Uw ontzagwekkende daden in herinnering roepen;qac wawqac* Uw grootheid, die zal ik vertellen.7 Zij zullen de mond doen overvloeien van de gedachtenis aan Uw grote goedheid,qac zainqac* en vrolijk zingen van Uw gerechtigheid: