1 Toen bad Jona tot deHEERE , zijn God, vanuit het binnenste van de vis.2 Hij zei: Ik riep uit mijn benauwdheid tot deHEERE en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van het graf riep ik om hulp, U hoorde mijn stem.3 Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën, een watervloed omringde mij; al Uw baren en Uw golven sloegen over mij heen.4 En ík zei: Verstoten ben ik van voor Uw ogen; toch zal ik opnieuw aanschouwen Uw heilige tempel.